Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Dennis Tyfus - 2018 - Over Knisperende Kniespieren [NL, interview],
, 4 p.




__________


Hans Theys


Knisperende kniespieren
Dennis Tyfus in Middelheim en Pinkie Bowtie



Ik zou deze beschouwing over Tyfus’ tentoonstelling ‘My Niece’s Pierced Knees’ willen laten aanvangen met een bescheiden hommage aan Menno Meewis (1954-2012), die sinds zijn aantreden in 1993 als directeur van het Middelheimmuseum geleidelijk aan alle omliggende terreinen en parken heeft geannexeerd. Op een dag reden we in een golfkarretje door het park omdat hij mij wilde tonen wat hij met het pasverworven Nachtegalenpark van plan was. Alle gebruikelijke wandelwegen negerend, als een volleerd skater, snelde hij slalommend door het bos, bergop bergaf, hier en daar ontluikende plantjes en kleine struikjes genadeloos platwalsend. Ik zou willen stellen dat zijn opvolgster Sara Weyns (°1980), in haar samenwerking met Dennis Tyfus (°1979) de geest van haar voorganger op een vrije manier voortzet.

Onlangs ontmoette ik de jonge Canadese modeontwerper Holden St George die mij vertelde dat hij tot de mode is gekomen door het skaten. “Skating, queerness and fashion are three ways to energize space,” zei hij. Wat hij daarmee bedoelde, denk ik, is dat een skater die zich niet beperkt tot een voorgeschreven skate-plek alle voorwerpen die hij in de openbare ruimte ontmoet oneigenlijk kan gebruiken. De skater verplaatst zich langs sluipwegen (Michel de Certeau), net zoals de bronstige of vervolgde homoseksuele man een andere bestemming geeft aan stationshallen en schaars verlichte plantsoenen.
Op een verwante manier tonen queerness en mode dat de wereld anders kan zijn en dat we ons niet moedeloos moeten neerleggen bij de voorschriften van betweters, schoolmeesters en museumdirecteurs. Vernieuwende kunstenaars dwingen het recht af dingen anders te mogen doen en anders te mogen zijn. Ze vernieuwen de kunst door zich niet te laten inperken door de bestaande conventies. Niet omdat ze de kunst willen vernieuwen, maar wel omdat ze zich niet anders willen of kunnen gedragen. Door het recht op te eisen af te wijken van de norm, maken ze niet alleen plaats voor zichzelf, maar ook voor de anderen. Hun koppige, dwarse omgang met ideeën en vormen krijgt zo ook een politieke betekenis, omdat hij aantoont dat de wereld, of de manier waarop we haar beschouwen, beweeglijk is. Kunstenaars scheppen ademruimte.

Ook Dennis Tyfus is onder meer via het skaten in de kunstwereld beland. Hij kon zelf niet goed skaten, maar hij had zich aangetrokken gevoeld door de skatecultuur. Dit vertelde hij mij in 2003, toen ik hem voor het eerst aan het werk zag in de onverwarmde tentoonstellingsruimte van Lokaal 01, die hem ter beschikking was gesteld door Vaast Colson. Hij was een tekening op groot formaat aan het maken op een geschilderde ondergrond. Tot dat moment had ik maar één kunstenaar even trefzeker zien tekenen. Toen ik enkele weken later hoorde dat de beeldende commissie Tyfus had laten weten dat ze zijn werk ‘niet relevant achtte voor de hedendaagse kunst’, zocht ik de toen 23-jarige kunstenaar op om hem te interviewen en in NieuwZuid een tekst te publiceren waarin ik zijn verdediging opnam en de heren en dames commissieleden probeerde uit te leggen dat niemand kan weten of iemands werk relevant is voor de hedendaagse kunst (omdat die per definitie ontsnapt aan de beoordeling van de zogenaamde experts, die zich alleen maar kunnen baseren op het oude), maar dat je wel kon zien dat het hier ging om een fabuleus tekenaar die op een geheel nieuwe manier in de wereld stond. Vandaag, vijftien jaar later, heeft deze kunstenaar eindelijk carte blanche gekregen van een overheidsinstelling om vrij werk te maken. Het gevolg is indrukwekkend.

De voorbije twintig jaar heeft Tyfus onafgebroken ruimtes gezocht en gecreëerd om zijn ding te doen: bijvoorbeeld het opzetten van concerten en poëtische momenten zoals de Bambanacht met Daniël de Wereldvermaarde Botanicus. Op uitnodiging van het Middelheim ontwierp hij een betonnen sculptuur die ook gebruikt kan worden als publieke, onafhankelijk bereikbare ontmoetingsplek.

Tyfus: “Sara Weyns polste mij in het verleden verschillende keren over mogelijke bijdragen aan groepstentoonstellingen. Eén van mijn voorstellen was een balletuitvoering in De Singel die ‘Ballètjes in tomatensaus’ zou heten. Toen ze mij uitnodigde voor de groepstentoonstelling ‘Experience Traps’ ontwierp ik, samen met het architectenbureau Fvww Architecten, een betonnen tribune waaronder een afsluitbare bar schuilgaat. Er is ook een podium, licht en elektriciteit. De plek is omheind zoals een gevangenis, maar is zowel toegankelijk via het museum als vanop de straat, zodat hij kan dienstdoen als sculptuur én als concertplek.
Mijn hele leven ben ik op zoek geweest naar plekken waar ik dingen kon doen. In 1996 maakte ik kennis met VogelVrijStad in de Meistraat, een gekraakt schoolgebouw waar dingen georganiseerd werden. Die plek maakte indruk op mij, je vond er allerlei soorten mensen: anarchisten, daklozen, dichters, politici, kunstenaars, punkers… Er werden concerten georganiseerd in de kelder. Mensen van alle generaties kwamen daar samen, omdat er geen andere plek in de stad was waar je vreemde muziek kon horen en gelijkgestemden tegenkwam. Er was wel de Sorm in Deurne en het Lintfabriek in Kontich, waar goede concerten georganiseerd werden, maar in het stadscentrum bestond alleen VogelVrijStad. Later is daaruit via vele omwegen de plek Scheld’apen ontstaan en nog later heb ik eerst met Vaast Colson en nadien ook met Peter Fengler de plekken Gunther, Stadslimiet en Pinkie Bowtie opgericht. Vandaag is de situatie in Antwerpen anders. Elke dag kan je wel naar iets gaan kijken in een door kunstenaars uit de grond gestampte plek, zoals Troebel Neyntje van Idris Sevenans, ABC Kluphuis, Forbidden City, Pink House enzovoort.”

Bij de tentoonstelling hoort een boek, dat werd gemaakt door de kunstenaar Nico Dockx, die mij een jaar lang elke dag een vraag heeft gesteld. Als jongeman hoorde ik al over Nico spreken als over een begaafd skater die in een naburig dorp woonde. Later zijn we elk onze eigen weg gegaan tot ik hem vorig jaar op weg naar de bakker tegenkwam en vroeg of hij mij wilde interviewen naar aanleiding van een soloshow in Project Space 1646 in Den Haag.”

Ik vraag Nico Dockx (°1974) of hij ons iets wil vertellen over de tentoonstelling.

Dockx: “Wat mij vooral opviel, en dan heb ik het niet over het werk an sich, maar over wat het doet met de omgeving en het publiek, was de enorme frisheid, de enorme energie die leek vrij te komen. Bij het boek dat je zelf kon volstempelen, vond je alle soorten mensen: bejaarden, kinderen, maar ook Luc Tuymans en Anny De Decker die enthousiast aan het stempelen waren. Veel mensen gedroegen zich tijdens de vernissage alsof het om een echt feest ging. De gebruikelijke belegen, negatieve sfeer ontbrak. De werken leken een soort van dynamiek op gang te brengen. Hetzelfde zag je bij de installatie met de wapperende benzinestation-vlaggen (‘The Pogo Never Stops’): jong en oud werd meegesleept. Ik hoop dat ons boek eenzelfde dynamiek op gang kan brengen bij de lezer.”

Ik wandel met Tyfus door het park zonder dat we de diepere betekenis van zijn oeuvre trachten te doorgronden. Naast twee sculpturen die deel uitmaken van de vaste collectie van het Middelheim (waaronder ‘Het zotte geweld’ van Rik Wouters) werden klankwerken geplaatst die in lus gemonteerde zangstonden ten gehore brengen: door Tyfus zelf voortgebrachte noise die aan de bezwerende liederen van sjamanen doet denken.
“Als ik sculpturen zie, hoor ik geluiden,” vertelt hij. “Nu kan iedereen ze horen.”
De installatie ‘The Pogo Never Stops’ bestaat uit een tiental ineenstortende, buigende, knielende en zich dan weer fluks oprichtende, kleurige benzinestation-wapperaars met getekende gezichten. In de rammelende perstekst lees ik dat ze het grasplein op een festivalweide doen lijken. Ik heb nog nooit een festivalweide gezien, zodat ik de installatie alleen maar kan zien als een nieuwe vorm van sculptuur of aanwezigheid in een beeldenpark.
“Elke keer als ik zo’n skytube bij een tankstation zag pogoën hoorde ik ‘Burn Your House Down’ van Wolf Eyes,’ vertelt Tyfus. “Hier wordt de muziek gemaakt door de compressoren.”
Op een plek tussen de bomen vinden we drie sculpturen met realistische, rubberen koppen, zeer goed gemaakt, die bekogeld worden met automatisch weggeslingerde tennisballen en gedwongen moeten luisteren naar goa-trance.
“Dat is afschuwelijke house-muziek waar op gedanst werd door lieden met dreadlocks die zich terugtrokken in een bos om hallucinogene champignons te eten. Hippieshit uit de jaren negentig.”
In het Braempaviljoen vinden we een twintig meter lange, prachtige, u-vormige tafel waar de toeschouwers aan de hand van 160 stempels zelf gestalte kunnen geven aan een 160 bladzijden tellend blanco boek. Het is een van de krachtigste sculpturale antwoorden op dit prachtige paviljoen die ik ooit heb gezien.
“Ik ben altijd op zoek naar manieren om mijn tekeningen in de wereld te strooien,” vertelt Tyfus. “In het begin ging het meestal om platenhoezen. Later heb ik de ‘No Choice Tattoos’ bedacht. Dit stempelboek is een nieuwe vorm om mijn tekeningen te laten reizen en om te zetten in iets meer tastbaars.”

In Pinkie Bowtie kunt u kennismaken met kleurpotlood-tekeningen van Tyfus. Toen hij mij vorig jaar rondleidde in de eerste aflevering van deze tentoonstelling, bleek ik de eerste te zijn die opmerkte dat Tyfus voor het eerst volumes had getekend. “Ik was die vlakke tekeningen kotsbeu,” vertelde hij. “Ik lag ziek in bed en iemand had mij een doos met kleurpotloden gegeven. Ineens ontstond er een nieuw soort tekening.”


Montagne de Miel, 3 november 2018