Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

De Grote Verdwijntruc - 2019 [NL, essay],
Tekst , 5 p.

 

__________________

Hans Theys

 

De Grote Verdwijntruc

Korte geschiedenis van het westerse denken, het geld en de kunst

 

 

Verantwoording

Voortgekomen uit eeuwenoude geslachten van armoezaaiers (tegen weer en ontij zich hopeloos verwerende, haveloze pachters en in zandholen wonende schooiers en scharrelaars) en heel ons leven gewroet en gebeuld hebbend voor weinig meer dan niks, hebben wij eigenlijk geen recht van spreken als het over pecuniaire aangelegenheden gaat, want weinig hebben wij begrepen van de geheimen van de huishoudkunde en nooit hebben wij meer dan enige geldstukken in onze broekzakken meegetorst. Het enige excuus dat wij kunnen voorleggen voor deze onbeschaamde poging alsnog enige kanttekeningen bij dit onderwerp te plaatsen, bestaat in de overtuiging dat juist hierin onze rol bestaat omdat wij over het vermogen schijnen te beschikken woorden aaneen te rijgen, dat diegenen die wel over geld beschikken vaak is misgund, omdat met name niemand zonder tekortkomingen mag zijn, willen wij Gods eenzaamheid niet ondraaglijk vergroten door Hem of Haar de laatste troost te ontnemen (te weten als enige volmaakt te zijn). Daarom ook vergeten wij niet dat wij weinig of niets weten, en schrijven wij vanuit het volle besef onzer onwetendheid, die wij als een onuitputtelijke drijfkracht zien.

 

Spreken

Toen wij nog niet konden spreken, zo leren ons de ouden, bestond er geen andere waarde dan het onmiddellijke genoegen. Helaas beschikten wij over stembanden die veel verschillende klanken kunnen voortbrengen en over vingers die fijne voorwerpjes kunnen vasthouden, waardoor wij gingen spelen met klanken en de dingen bevingerend een steeds fijnzinniger brein bekwamen, zo fijnzinnig, dat wij door de geleidelijke intrede van de taal voor altijd ontrukt werden aan het moment en voortaan gedoemd waren opgesplitst te leven in een treurig overpeinzen en bezingen van het verleden en een pijnlijk dromen over de toekomst. Gelukkig brengt de taal, die de herinnering, de bespiegeling en het vooruitblikken mogelijk maakt, ook de dood in ons leven, die weliswaar als een schaduw hangt aan al onze woorden, dromen, handelingen en maaksels, maar ook het huidige moment enigszins haar waarde teruggeeft, zij het slechts af en toe, en nooit voor lang. Zo worden wij heen en weer gesleurd, geslingerd en geschoven tussen de momenten die voorbij zijn en de momenten die moeten komen en zijn wij verworden tot een bevreemdend soort van altijd uitgesteld zijn of grenzeloos wachten. En al deze dingen: de verwachtingen, het uitstel en de ongrijpbare of vluchtige waarde van het onmiddellijke, vertalen wij in geldelijke termen, in een wanhopige poging er vat op te krijgen.

 

Denken

Het eerste neergeschreven westerse denken, zo leren ons de ouden eveneens, vinden we bij Herakleitos, die het vuur de vader van alle dingen noemde. Zijn denken is niet goed op orde, vol onwennige tegenstellingen en raadsels, en daarom werd hij dikwijls de Duistere genoemd, door vele geleerden, terwijl anderen van oordeel waren dat hij juist licht bracht, door de onoplosbaarheid van de wereld onder woorden te brengen. Zijn denken gelijkt hierin aan de vergeestelijking van het Oosten, waarin het piepkleine tegelijk reusachtig kan zijn, gezien vanuit een andere hoek, zodat niets echt groot is of klein, en niets meer waarde heeft dan iets anders, ook een lotsbestemming niet of een andere bestemming, omdat elke beweging slechts een illusie is, elk streven ook. (Een arend vangt een reusachtige vis, wiens naam ook visseneitje kan betekenen. Hoe hoger de arend vliegt met zijn prooi, hoe kleiner hij wordt, tot ze samen niet groter zijn dan het eitje van een vis.) En zo leren wij dat de Oude Grieken ervan hielden onoplosbare raadsels te verwoorden en elkaar te tergen door te bewijzen dat niemand iets met zekerheid kon stellen, omdat alle kennis weinig meer is dan werkzame klanken die wij toevoegen aan de natuur. En denken, zo dachten zij, was niet het geesteloze en protserige herhalen van deze klanken, maar het in vraag stellen ervan, het trekken van scheuren in het grijze gordijn dat ons scheidde van de ware werkelijkheid, en dat zij een sluier noemden die moest worden opgeheven. En wat zij zagen, als zij deze sluier wegschoven, was niet een eenduidige waarheid, maar meestal gewoon de dood en de eindeloze baaierd, die zij durfden op te roepen en te aanschouwen.

 

Schijngestalten

En zij deden dat met tegenstrijdigheden, die geen tegenstellingen waren in de tastbare wereld, maar elkaar weersprekende woorden, want de dubbelzinnigheid en de onnauwkeurigheid van de taal, die voortkomen uit het slordige gebruik van de beschikbare klanken en de beperkingen van ons denkvermogen, maakt zulke tegenstrijdigheden en speelse wendingen mogelijk, die wij aporieën noemen, of gedichten, naargelang van de talige gestalte die wij hebben opgeroepen. En in deze eindeloze verwarring verdwalen onze gissende breinen, als snuffelende muizen, die ons aan het lachen brengen als zij heel even menen een betekenis ontdekt te hebben, die even snel de vlugge uitdrukking van een geheime wensdroom blijkt te zijn. Want wij blijven lichamen die tastend naar het licht een richting zoeken, die vaak de richting van het lichaam zelf blijkt te zijn, dat gedoemd is naar wegen te zoeken om nog maar eens nieuwe lichamen voort te brengen.

 

Muntgeld

Ook vertellen ons de ouden dat Herakleitos leefde in tijden die ook het eerste muntgeld kenden. Want het vermogen het vuur de vader van alle dingen te noemen, alsof het vuur grote handen had en prikkende wangen, dat vermogen dingen verkeerd te benoemen, lijkt samen te gaan met het vermogen de waarde van de dingen om te zetten in een uitgestelde bevrediging, die gegarandeerd wordt door een metalen voorwerpje. Want inderdaad komen alle dingen voort uit de ontmanteling van andere dingen, uit hun verwoesting en verdwijning dus, zodat het voortbrengende beginsel de wereld tevens verslindt, in een eindeloze vernieuwing en verversing, zodat de wereld eeuwig fris en jong blijft, zoals Marcus Aurelius heeft geschreven tot zichzelf.

 

Verdwijntruc

En zo leren de ouden ons ook dat we hier te maken hebben met een verdwijntruc. Want eerst was er een onmiddellijk genoegen, dat zalig binnen bereik was. Maar toen werd het uitgesteld en omgezet in muntstukken, die later misschien diensten zouden bewijzen. En dit ging eeuwenlang door, genadeloos, tot er een tweede verdwijntruc plaatsvond en de muntstukken zelf ook verdwenen en niemand nog wist waar ze waren. Terwijl hun spookachtige vertegenwoordiging even genadeloos verder woekerde en steeds meer onmiddellijke genoegens buiten bereik bracht en iedereen in het uitstel dwong, waar het onaangenaam leven is. En het uitgestelde leven, immers, dat werd beloofd door de muntstukken, ging steeds werkelijker worden, en zo ontstond de buitenaardse, zogenaamd waarlijk echte wereld van Plato, en later ook het leven na de dood van de christenen, die het uitstellen van alle genoegens bezingen, het liefst tot na de aardse dood, die gevolgd zal worden door een heerlijk, waarachtig leven, dat wij echter niet kunnen vastgrijpen omdat het ondanks alles spookachtig blijft, zoals de muntstukken die wij nog steeds niet bezitten, ook al werken wij al duizend jaar zonder verpozen. En dit spookachtige leven werd voor waar en echt gehouden, zoals de waarde van een muntstuk bewezen werd geacht, en zo kwamen we niet alleen terecht in een wereld van de taal, maar ook in een wereld waarin woorden, die eigenlijk naar niets verwezen, een werkelijkheid werd toegeschreven, die harder was dan een noot om te kraken.

 

De enkeling

Ook verhalen de ouden hoe de uitvinding van het geld en het abstracte denken gepaard ging met de uitvinding van een andere illusie, en wel die van de persoonlijke bijzonderheid of de enkeling, die zich losmaakte van het koor en als protagonist naar voren trad. De eerste eeuwen lieten de Grieken deze held terecht sneuvelen, omdat ze nog wisten dat de droom van de enkeling een schadelijke hersenschim was. Maar na de Platoonse verminking van het Griekse denken, waarbij het lichaam vluchtig werd en de verzonnen dingen een eigen werkelijkheid toegemeten kregen die zich buiten onze wereld afspeelde, na die verwording dus, ging ook de droom van de persoonlijke uitzonderlijkheid zwaarte krijgen en gingen wij geloven in afzonderlijke lotsbestemmingen, met bijzondere gaven voor deze en gene, duidelijk te onderscheiden van de anderen. En hoe langer deze droom voor werkelijk werd gehouden, hoe onvermijdelijker het werd, zo vertellen de ouden, dat er bijgelovige rituelen zouden ontstaan gewijd aan slechts één, eenzame God, die alles beter wist. En onvermijdelijk nam die God meteen de vorm aan van een bestraffende vader, want hoe anders kan een zich onmetelijk wijs en onoverwinnelijk wanende, bevreesde enkeling zich gedragen dan als een tirannieke peuter?

 

De kunst

En in die wereld waarin woorden een ware wereld konden oproepen, gingen wij, vanuit ons uitgestelde bestaan, verhalen verzinnen en beelden maken, om zin en vastigheid te geven aan het eeuwige vlieten, of dit vlieten zelf op een tastbare en zichtbare manier te vieren, want wie zonder lichaam te leven heeft, kijkt graag naar een afgebeelde jongeman of luistert graag naar verhalen over uitgestelde liefdes en opgeworpen hindernissen die helden aan het struikelen brengen of aan het moorden. En tenslotte is het mooie aan kunst bovendien, dat het zichzelf als een genoegen presenteert. Het schilderij stelt niet alleen een mooie jongen voor, het is zelf ook een soort mooie jongen: mooi om naar te kijken, te besnuffelen of te betasten. En zo zien we de gelijktijdige geboorte van de taal, de dood, het geld, het vaderschap, een ongrijpbare echte wereld, de enkeling, de eenzame God en de kunst. En ook zien we zo dat de christelijke versie van deze cocktail meer en meer invloed heeft gekregen, waarschijnlijk omdat de christenen door hun geestelijke raadslieden weinig of niks werd gegund, zodat ze te veel spankracht overhielden. Ze kunnen niet stilzitten, de christenen, zoals Pascal al opmerkte. Ze moeten alsmaar bewegen, de wereld opmeten en zoveel mogelijk dingen kapotmaken, opdat geen enkel lichaam of voorwerp de totale vernietiging zou overleven van onze wereld, die immers niets is dan een wachtzaal.

 

Grote hoofden

En meer en meer leidden de uitvinding van het geld en de enkeling, het Platoonse verdonkeremanen van de werkelijkheid en de christelijke ontvlezing van ons bestaan tot een wereld waarin de droom van het persoonlijke heldendom gepaard ging met het opzwellen van de eenzame, eendimensionale gedachte, die huishield in enorme hoofden die werden getorst door onzichtbare, reukloze lichamen. Soms leidde dit tot wondere voortbrengselen, zoals Spinoza’s logische denkpoging God opnieuw te laten samenvallen met de hele wereld, en de dingen opnieuw zwaar te maken, en rijk, en vlezig, maar over het algemeen viel de noodlottige vervluchtiging van de werkelijkheid niet meer te stuiten. En uiteindelijk droomde de oude Borges dat hij, zittend op een bank aan de oever van het meer van Genève, een gesprek voerde met zijn twintigjarige zelf, die hem aan het eind van dit gesprek een muntstuk overhandigde. En toen hij uit deze droom ontwaakte, vond hij dit muntstuk onder zijn hoofdkussen. Want als het hele aardse bestaan voor altijd zal zijn vervluchtigd, zullen alleen enkele goudstukken overblijven, onvindbaar.

 

Montagne de Miel, 6 januari 2019