Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Gijs Milius - 2019 - Wakend dromen [NL, review],
Tekst , 2 p.

 

 

_____________

Hans Theys

 

 

Wakend dromen

Over een tentoonstelling van Gijs Milius

 

Joseph Brodsky, die zowel in het Russisch als het Engels literair werk creëerde, schrijft ergens dat hem vaak werd gevraagd in welke taal hij droomde. ‘Wij dromen in dromen, net zoals we denken in gedachten,’ besluit hij. Helderder en krachtiger kan je niet uitdrukken dat kunstwerken geen manke vertalingen zijn van ideeën of andere talige verzinsels, maar ook dat ze niet hertaalbaar hoeven te zijn om te mogen bestaan. Anderzijds lijkt deze formulering te suggereren dat kunst een minder wezenlijke bezigheid is dan dromen en denken, want het volstaat niet te ‘kunsten in kunst’ om tot een krachtig kunstwerk te komen. Nieuwe kunstwerken lijken van iets anders gemaakt te zijn dan kunst, bedoel ik, maar van wat dan? Misschien van iets dat net geen kunst is? Een amechtig stamelen, een afwijken, een niet-kunnen, een niet-herkennen van het eigen gezicht?

Deze gedachten werden mij ingegeven door het oeuvre van Gijs Milius (°1985), dat ik leerde kennen in 2015. Milius, die afkomstig is uit Utrecht, had toen al twee jaar gewoond in Parijs. Sindsdien woont hij in Brussel. En nu stelt hij tentoon in het Kunstverein van Dortmund. In 2015 stonden we samen voor een schuin in de ruimte geplaatste wand die door de steunen aan de achterzijde deed denken aan een decorstuk. Aan de voorzijde was hij echter beschilderd met lakverf uit een spuitbus, maar op zo’n manier dat het werk eruitzag als een namaakschilderij. Het leek alsof de verf zich niet ferm had vastgehecht aan het paneel, omdat het er niet rechtsreeks op gespoten was, maar het paneel ternauwernood had bereikt en dit zieltogend neerdwarrelend slechts even had aangeraakt. Het schilderij, met andere woorden, zag er vanop afstand uit als het werk van een graffiti-kunstenaar die op paneel had gewerkt, maar in werkelijkheid was het iets anders, iets aberrants, een soort van travestie, een commentaar, een fijnzinnige grap, een hopeloze geste.

‘Is het verlangen naar een natuurlijke gang van zaken debiel?’ Deze vraag wordt gesteld door een personage in een hoorspel van Gijs Milius, waarin twee heren hun kinderwens bespreken. Een onmogelijke betrachting, zo lijkt het, die toch van alle mogelijke zijden wordt belicht. Het hoorspel, dat voor deze tentoonstelling in het Duits werd omgezet, valt te beluisteren door middel van een hangend muurkastje van MDF met antiek aandoende schorende elementen en een zwart glimmend oortoestel, welks uitzicht doet denken aan de plasticine-esthethiek van Wallace and Gromit. In dezelfde ruimte vinden we ook een eveneens deels uit MDF opgetrokken voorwerp dat doet denken aan een zitbank en ook als dusdanig kan worden aangewend, maar door zijn vreemdheid onmiskenbaar tot het rijk der kunstvoorwerpen behoort.

Dit is hoe ik het twee maanden geleden verwoordde in een catalogus: ‘Ooit berichtte ik over mijn eerste ontmoeting met Gijs Milius in een parkje in de Brusselse Noordwijk waar we, omringd door spelende kinderen en filosoferende moeders, zagen hoe met gras begroeide heuvels de achterliggende torengebouwen verkleinden, alsof we ons in een maquette bevonden. Milius vertelde mij een grap over twee mannen die vanuit het noorden en het zuiden van Parijs naar de Seine wandelen en elkaar vanaf beide oevers menen te herkennen. In het midden van de Pont Neuf gekomen, zien ze dat ze het allebei niet zijn. De schilderijen, tekeningen, hoorspelen, muziekstukken en beeldhouwwerken van Milius lijken heel erg op échte kunstwerken: dingen die we van ver als dusdanig herkennen. Maar als we ze van dichtbij bekijken, zien we dat we ons hebben vergist en dat ze veel beter zijn: veel nieuwer, veel grappiger, veel vrijer, veel wonderbaarlijker.’

De eerste keer dat ik met Gilius samenwerkte, voor een groepstentoonstelling die zich afspeelde in een niet nader te noemen stedelijk weefsel, ontdekte hij dat alle lantaarnpalen via een geperforeerd vlak schlagers uitzonden om de winkelende medemens gerust te stellen. Hij musiceerde en zong zelf drie uur schlagers bij elkaar die een maand lang werden uitgezonden, met als resultaat dat sommige lantaarnpalen door de winkeliers omwikkeld werden met dikke lagen scotch-tape. In deze tentoonstelling lijk ik deze zelfgemaakte muziek te herkennen in een video: ijle covers van bekende gesuikerde songs als ‘The Lady in Red’, gedeeltelijk achterstevoren gemonteerd en verrijkt met vervormde klanken en duffe synthesisermuziek, voorzien van een psychedelisch beeld dat doet denken aan een goedkope versie van de tunnelbeelden in Space Odysee 2001. Ook vinden we een gyproc triomfboog met dezelfde afmetingen als vijf zuilen elders in de ruimte; foto’s op namaak-kalenderpapier gemaroufleerd op MDF; een zelfgemaakte videogame, waarbij je de held kan laten vaporiseren door hem onder een neerstortend uurwerk met snel voortschrijdende wijzers te manoeuvreren; en een beeldscherm met portretten van twee iphone-bestuderende museumbezoekers, een spelende (pedofiele?) grootvader en een gelukkige Milius. Voor deze vier banale foto’s zweeft het beeld van een uurwerk dat met dodelijke precisie de verstrijkende tijd aangeeft. Achter je, op een gifgroen geschilderde muur zien we een echt uurwerk, waarvan de lange wijzer bedekt is met een piepschuimen, platte non-vorm. Ook vinden we apocalyptische pastelschilderijen en een boekje, geschreven door zijn neef Bob, dat eindigt met een verhaal over een persoon die in de Verenigde Staten zijn ouders zou hebben aangeklaagd omdat ze hem hebben verwekt (of was het omdat ze hem hebben opgevoed?), waarbij het niet duidelijk was of hij schadevergoeding eiste voor de schade die hemzelf was aangedaan door hem in dit bestaan te storten, of de schade die zijn geboorte de bestaande wereld heeft berokkend. De asbak naast het boekje is een namaak-asbak, in een onbestemde beige kleur. Niets is echt hier, alles is gemaakt van droom en nachtmerrie, en toch zijn we wakker. Dit moet kunst zijn, denk ik dan, twijfel kan hierover niet bestaan.

 

Montagne de Miel, 17 september 2019