Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Thomas Bogaert - 2002 - Een tovertapijt met vensters [NL, essay],
Tekst , 2 p.

 

 

________________________

Hans Theys



Een tovertapijt met vensters

Over een tentoonstelling van Thomas Bogaert


Thomas Bogaert toont drie verschillende werken. Een ‘lenticular print’, een filmprojectie en een installatie met opgehangen sculpturen die zachtjes wiebelen en verschuivende schaduwen op een witte muur werpen. Het gemeenschappelijke aan deze kunstwerken is dat ze alledrie bewegen en alledrie gebaseerd zijn op een beeld van een kabelbaan.

Een lenticular print is een beeld dat is samengesteld uit verschillende andere beelden die door de beweging van onze blik de illusie van een beweging creëren. In dit geval gaat het om vier foto’s die de illusie van een omhoog of omlaag glijdende cabine van een kabelbaan produceren. Het zijn prachtige, heldere foto’s die ons naar een land met een klare hemel en scherpe schaduwen brengen.

De projectie toont ons een vijfentwintig seconden durende filmlus van een in Barcelona gefilmde, stijgende, rode kabelbaancabine. De filmlus wordt geprojecteerd op een fotografische vergroting van een zwart-wit foto die Bogaert heeft aangetroffen in een atlas. Op de foto zien we de Mont Blanc. In het onderschrift bij de foto ontdekken we onder andere de naam van de piloot die de berg heeft gefotografeerd. Voor een eerdere tentoonstelling in Antwerpen werd deze filmlus geprojecteerd op vier verschillende ondergronden: de foto van de Mont Blanc, een zeepschaaltje met de afbeelding van een bergtop, een reclamebord van Kodak en een zwart-wit schilderij van een berglandschap. ‘De projectie met het geschilderde berglandschap werkte toen het beste,’ vertelt Bogaert, ‘wie lang genoeg keek en zich genoeg ontspande kon zich laten meevoeren door de cabine. Ineens kwamen de bergen tot leven en ervoer je de beweging. Het is wel een werk dat meer tijd en moeite vraagt als je het echt goed wil zien, terwijl ik voor deze tentoonstelling een beeld nodig had dat direct werkte. Daarom heb ik hier voor de foto van de Mont Blanc gekozen, die een toegankelijker, harmonieuzer, meer idyllisch beeld oplevert, ook al blijft het werk in de eerste plaats een onderzoek naar wat een projectie doet met een stilstaand beeld.’

Het derde werk bestaat uit een twintigtal schijnbaar gecrashte, met hamer of vuist platgemepte, kartonnen replica’s van kabelbaancabines die opgehangen worden met nylondraad. De cabines hebben verschillende kleuren en hun grootte varieert van het volume van een luciferdoosje tot het formaat van een melkbrik.

Het contrast tussen de gebruikte materialen is opvallend. Het verwrongen oppervlak van het karton contrasteert met het cleane, technologische uitzicht van de lenticular prints en het ijle van de geprojecteerde, voortglijdende schaduw. Toch heeft elk werk iets te maken met een schimmenspel. Bogaert is een Chinese poppenspeler die zich weinig bekommert om het materiaal van de pop, als de beelden het publiek maar aan het huiveren brengen.

Maar wat denk ik er zelf eigenlijk van, los van de mogelijke bedoelingen van de kunstenaar? Als wij rondgedragen worden door onze moeders, op hun arm, wonen wij temidden van een bewegend beeld. Later kunnen wij met vliegtuigen zwemmen in de lucht, paardrijden of zeeën bevaren, maar het liefst zitten wij in auto’s die bestuurd worden door onze geliefde, zodat de wereld weer pijnloos langs ons heen glijdt in een onafgebroken verschuiven van schaduwen en kleuren. Wij houden van de verte die eerst grafisch is, als een spel van lijnen, en dan ineens diepte wordt, alsof we opgeslokt zullen worden, en daarna dichterbij uiteenvalt in vlekkerige uitwaaiering en verwarring, kleur, licht en materie. Wij reizen van de schaduwlijn naar de kleur en van de kleur naar de hobbelige materie. Wij dromen van een tovertapijt met vensters voor in de winter en van bergen die rondom ons traag draaien.



Montagne de Miel, 10 januari 2002