Hans Theys is a twentieth-century philosopher and art historian. He has written and designed dozens of books on the works of contemporary artists and hundreds of essays, interviews and reviews in books, catalogues and magazines. All his publications are based on actual collaborations and conversations with artists.

This platform was developed by Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen) in collaboration with the Royal Academy of Fine Arts in Antwerp (Research group Archivolt), M HKA, Antwerp and Koen Van der Auwera. We also thank Idris Sevenans (HOR) and Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Tomas Boiy - 2006 - Het holle altaar [NL, essay],
Text

 

________________________________

Hans Theys

 

 

Het holle altaar

Over enkele werken van Tomas Boiy



Enkele weken geleden kwam ik in Berlijn de fotografe Delphine Bedel tegen, die in een galerie foto’s toonde van een reusachtig gebouw dat in de jaren dertig werd gebouwd door de nazi’s, maar nooit in gebruik is genomen. De foto’s toonden een duister gebouw dat in weinig deed denken aan de oorspronkelijke bestemming: vakantieoord voor de trouwe partijganger.

Aan deze foto’s dacht ik terug toen ik vorige maand in het Muhka voor het eerst kennis maakte met Tom Boiys vierdelige beeldenreeks ‘Refuge’. Ik had al vaker boeiend werk van Boiy gezien: etsen, tekeningen, filmpjes en een boek. Toch werd ik hier nog verrast. Niet alleen overstijgen de compactheid en de kracht van deze beelden het voorspelbare effect van een ets, ze wenden dit effect ook aan om een nieuwe, bijna politieke toon te zetten. In één beeld herkennen we op de voorgrond een laddertje van een zwembad, terwijl op de achtergrond een donker gebouw oprijst. De licht vangende witte steunzuilen en balustrades, de witte muur naast het zwembad en de oplichtende treden contrasteren met de partijen die zich in de schaduw bevinden en creëren een sterke, ruimtelijke indruk. Daardoor wordt het een evocatie van een verlaten plek, een plek zoals die eruitziet na een doortocht. De mensen zijn al vertrokken. De bovenaan opvlammende, maar onderaan schijnbaar bewolkte hemel (of zijn het bomen?) smijt harde, schuine slagschaduwen op de balkons. De zon staat hoog aan de hemel. De mensen zijn gevlucht voor de hitte. De ruimte is vrij, maar ziet er niet uitnodigend uit.

Het beeld lijkt een omkering van de stralende zwembad-schilderijen van David Hockney. Het doet denken aan sanitaire installaties die er eigenlijk geen zijn. Toch is dat niet echt de bedoeling, denk ik. De sfeer die wordt opgeroepen doet niet denken aan de eerste beelden van Erraserhead. Het gaat meer om een schilderachtige indruk. Het ritme van een gedicht. De lectuur van een vergrijsde sterrenhemel. Ik vroeg Tom Boiy wat hij van deze indrukken dacht: ‘Ik vind het treffend dat je het over de zwembaden hebt. Voor mij wijzen ze echter niet noodzakelijk op een leegte, maar op een mogelijkheid tot verlichting. Ik associeer hun vorm en aanwezigheid met het kund, een bad voor rituele reiniging die je aantreft in hindoetempels. Baden zijn holle altaren die je in de buurt van gebouwen vindt. Op reis gaan is zoiets als een tempel bezoeken.’

De hedendaagse en tegelijk politieke toon van deze etsen treft mij. Ze doen mij denken aan de verontrustende, technisch hoogstaande en sensuele nachtopnames van Geert Goiris, maar ook aan minimale kunstwerken in het algemeen. Carl André en Bernd Lohaus. De foto’s van Bernd en Hilla Becher.

 Ze doen mij ook denken aan een harde bekentenis van Marcel Broodthaers, die ik ooit in het Broodthaers-archief heb aangetroffen: ’Schim van een Mallarmé die ik niet kon begrijpen,’ stond er, ‘ben ik toerist. Het licht van de stad grijpt me aan door mooie beelden. Uiteindelijk ben ik in bed gekropen, waar ik slaap, zwart-wit. Ik maak cinema als toeschouwer.’

Ik vroeg Tomas Boiy hoe deze beelden tot stand zijn gekomen.

‘De beelden zijn afkomstig uit catalogi van Jet-Air,’ vertelde hij. ‘Ik was uitgenodigd voor een artistiek project in Tunesië en ben meteen begonnen met het reproduceren van beelden die ik aantrof in toeristische folders. Uiteindelijk heb ik op basis van afmetingen en verhoudingen die ik kon afleiden van zo’n foto een 3D reconstructie gemaakt van een van die hotels, zodat ik het gebouw vanuit alle hoeken kon bekijken. Daarna heb ik de gevelvlakken opgevuld met textuur van mijn etsen. Dichter heb ik Tunesië niet kunnen benaderen, want het project is niet doorgegaan.

Ik heb een tijdje afdrukken gemaakt van industriële vloeren en ben nadien blijven zoeken naar beelden die ik niet zelf rechtstreeks tot stand bracht door op een subtiele manier koperen platen te bewerken, maar die ontstonden uit sporen of krassen, als residu van een activiteit. Tegelijk voelde ik mij aangetrokken tot het ‘schmutzige’ van industriële sites en ben ik op zoek gegaan naar een eigen techniek die meer in overeenstemming was met dit thema. Zo ben ik terechtgekomen bij stalen platen, die ik bewerk met slijpschijven. De slijpschijf werkt als een soort van filter. Enerzijds schept hij een soort afstand, anderzijds brengt hij de dingen dichterbij. Eigenlijk kan ik dankzij de slijpschijf uitvergrote etsen maken, etsen met een uitvergrote textuur. De techniek is een onderdeel van het beeld geworden.

Mijn werkwijze is een persoonlijke, afwijkende variant van de traditionele ‘manière noire’. Bij die techniek wordt gewerkt met zwarte, opgeruwde, koperen platen waarvan sommige partijen gepolierd worden. De gepolierde, gladde partijen, nemen geen inkt op en blijven wit. Normaal gezien wordt daarbij van zwart naar wit gewerkt. Ik werk niet alleen van zwart naar wit, maar ook omgekeerd. Verder wordt er traditioneel ook niets weggezuurd. Ik schilder wel met zuur om bepaalde, waterachtige tinten te verkrijgen.

Nu ben ik bezig met 12 staties voor een kapel. Ik ben vertrokken van een afgewerkte ets, waar ik gedeeltes van wegslijp. Na elke fase maak ik nieuwe afdrukken, zodat er twaalf verschillende beelden ontstaan, waarvan het laatste bij wijze van spreken blank zal zijn.

Verder ben ik ook uitgenodigd voor het maken van een installatie in het nieuwe MAS, waarbij ik wil uitgaan van sporen die aanwezig zijn in de ruwbouw.’



Montagne de Miel, 10 december 2006