Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Ronny Van de Velde - 2019 - De Aardappeleters [NL, essay],
Tekst , 8 p.

 

__________

Hans Theys

 

De Aardappeleters

 

De dagen waren kort, grauw, donker en duister, en diep, diep, diep was de nacht toen ik opschrok uit een benauwende, eindeloze droom, waarin ik telkens weer onaangename lieden had af te weren en in afgronden te duwen, dood te stampen, omver te rijden, de hals over te snijden, in brand te steken of te verzuipen in geëmailleerde badkuipen, heel vermoeiend eigenlijk. Rond mijn bed zaten vier gemaskerde mannen op burgerlijke stoelen te drinken. Als zij de grote, bolle bierglazen naar de mond brachten, dan tilden zij hun varkensmaskers een weinig op en zag ik hun natte, gulzige lippen en druppels die glanzend in het weerkaatste maanlicht over hun gestoppelde kinnen naar beneden droppelden. Het was volle maan. Ik dorst niks te zeggen, en volgde het gesprek in stilte.

De eerste spreker droeg een zwart masker en dronk een zwartkleurig, vermoedelijk Engels bier. Hij sprak met een lage, donkere stem en gorgelende klanken.

     ‘Er wordt beweerd,’ sprak hij, ‘dat de eerste spaarvarkens gebakken werden van een oranje, Engelse klei die “pygg” werd genoemd.’ Hij zweeg.

De tweede spreker droeg een geel masker en dronk urinekleurige, vermoedelijk Hollandse pils. Hij had een steil, blond sikje dat als een stijf watervalletje aan zijn onderlip leek te ontspruiten.

     ‘In ons oude Indië hadden we ook spaarvarkens,’ zei hij. ‘Spaargeld en spaarvarkens werden omschreven als “céléngan”, wat zoiets betekende als “gelijkend op een wild zwijn”.’

De derde spreker droeg een rood masker. Hij dronk rood bier en, hoe kon het ook anders, had een roestkleurige, stormachtige baard.

     ‘Waarschijnlijk was er vroeger een woord dat zowel ‘modder’ als ‘varken’ betekende, zei hij. Want varkens komen voort uit modder. Ze woelen de aarde om. Waarschijnlijk hebben de woorden ‘modder’, ‘moor’, ‘boar’, ‘porc’ en ‘beer’ dezelfde oorsprong. Ook onze uitwerpselen, wanneer opgevangen in een gemetselde ruimte, heten ‘beer’. En beer was gelijk aan rijkdom. Dat is de eigenlijke betekenis van de uitdrukking ‘geld als slijk verdienen’. De Venus van Willendorf toont ons een moddervette, prachtige, rijke vrouw.

De vierde spreker droeg een wit zwijnsmasker. Hij nam veelvuldige, kleine teugjes van een groot glas witbier en had sneeuwkleurige bakkebaarden.

     ‘Het eerste grote geld dat ik heb verdiend,’ sprak hij, ‘vertrouwde ik toe aan mijn grootvader. Hij stopte het in een oude kopzak die hij in een plastieken zeil wikkelde en verborg in de beerput.’

‘Ah, de beerput!’ sprak gorgelend het eerste, zwarte varken. ‘Wij bonden een steelpan aan een lange stok om hem leeg te scheppen, in de kruiwagen, en dan naar de moestuin. Onderweg klotste de stront over uw blokken. En ge wist dat het stront was die voortgekomen was uit uw moeder, uw vader, uw broers, uw zusters en de pastoor, die elke week een halve fles port kwam leegdrinken. “Port maakt de keel raspig, dat weet iedereen,” zei hij dan. En dan schonk mijn moeder hem enige schuimende pinten in.’

‘Mijn overgrootvader heeft jaren in de modder geleefd met de ratten,’ sprak het witte zwijnsgezicht. ‘En op de laatste dag van de oorlog hebben ze zijn arm eraf geschoten. “Vrienden, de oorlog is voorbij!” had hij zwaaiend geroepen. Ze hebben hem ter plaatse, in de loopgraaf, een hele fles wittekes laten drinken, op zijn broeksband laten bijten en zijn arm afgezet. Zijn hele verdere leven had hij pijn in die arm. Hij was diamantslijper geweest, maar na de oorlog werd hij schoenverkoper. Ik weet niet hoe hij de mensen hun nestels knoopte.

     Hij nam mij altijd op schoot, in zijn clubzetel, om voor te lezen uit een spannend boek, en zei dan te denken dat er muntgeld uit zijn zak was gerold en dat ik eens moest kijken in de spleet naast het kussen. En inderdaad, daar vond ik elke keer een paar centen, die hij daar voor mij had verstopt.’

De man met het gele varkensmasker en het blonde sikje bukte zich en viste een nieuw flesje uit een krat die naast zijn stoel op de grond stond. In één oogopslag zag ik dat ze allemaal een bak bier aan hun voeten hadden. Het gele varken wipte de kroonkurk van het flesje door een gele plastieken aansteker die op zijn linkerduim rustte als een hefboom te gebruiken.

     Toen stak het witte varken een sigaret op. Aan zijn neus ontsnapte een rookwolk die kringelend boven het bed bleef zweven. Ik vroeg mij af of de varkensmannen mijn aanwezigheid hadden opgemerkt, maar was bang hun overpeinzingen te verstoren en hield mij stil.

‘Vorige week was ik bij twee erfgenamen van James Ensor,’ zei het zwarte varken. ‘Ze hadden een schilderij waarvoor hen door zowel Christie’s als Sotheby’s 250 miljoen euro was beloofd. Maar ze wilden het niet verkopen.’ Hij nam een slok van zijn duister bier. ‘Dat gaat mijn pet te boven,’ besloot hij.

‘Het is nochtans simpel,’ zei het rode varken. ‘Ze weten gewoon niet wat ze moeten doen met al dat geld. Een ander schilderij kopen? Nog maar eens investeren in de wapenindustrie of de farmaceutica? Ik zie maar één nadeel aan het kapitalisme: dat er teveel geld in handen komt van te weinig mensen, die gewoon niet weten wat ze ermee moeten aanvangen. Ze hebben te weinig ideeën. En al die laffe pennenlikkers die voor hen werken, hebben natuurlijk ook geen ideeën. Ideeën zijn als insecten die voortkomen uit een stofnest: ze komen van nergens, maar ze hebben wel een beetje verbeelding nodig.’

‘Een dikke laag mest,’ zei het zwarte varken.

‘Veel zoekende mensen,’ vervolgde het rode varken. ‘Hoe meer mensen op zoek zijn, hoe groter de kans dat er ergens toevallig een bruikbaar idee ontstaat. Hoe meer geld in handen komt van dezelfde mensen, hoe minder kans dat het ooit weer ontsnapt uit het zwarte gat van de markt. Alleen op de gebeurtenissengrens pruttelt het een beetje, als een knetterend schuimlaagje. En dat is de kunstmarkt: de plek waar zwart geld wordt witgewassen.’

‘Wat is de gebeurtenissengrens?’ vroeg het witte zwijn.

‘Daarvoor moet je Stephen Hawking lezen,’ antwoordde het rode varken. ‘Nergens vind je een betere verklaring voor de raadselen van de huishoudkunde.’

‘Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg,’ glimlachte het gele varken.

‘Tijdens de tweede wereldoorlog,’ sprak de man met het bleke varkensmasker, ‘was René Magritte arm. Hij kreeg zijn nieuwe schilderijen, uit de zogenaamde Renoir-periode, niet verkocht. Wel was er nog een markt voor Picasso, Klee en zelfs Max Ernst. En voor nog een paar oude meesters. Dus schilderde Magritte een valse Picasso, een valse Klee, een valse Max Ernst en nog een paar vervalsingen van oude meesters. Die werden dan verkocht door Marcel Mariën en andere kompanen, zodat er geld was om te overleven. Ik denk dat Picasso nooit geweten heeft dat Magritte valse Picasso’s heeft gemaakt. Maar Max Ernst wel, en op een Magritte tentoonstelling jaren later, hing er een groot schilderij met één grote appel erop geschilderd, maar als je goed keek, zag je ook een worm die uit de appel kroop, en daaronder gesigneerd in het zeer klein Max Ernst. Dus Max Ernst heeft het wel geweten, maar heeft er nooit iets van gezegd. De valse Klee heb ik eens gezien bij een Brusselse marchand. De valse Picasso is onvindbaar, maar ik denk dat hij in een van de boekjes van Mariën afgebeeld staat. Er werd ook verteld dat Magritte tijdens de oorlog vals geld drukte op een kleine pers in zijn atelier in de Esseghemstraat in Jette. En dat Mariën het geld dan ging wisselen.

‘Mariën werkte bij de Gazet van Antwerpen,’ zei de man met het zwarte masker. Niemand wist wat hij daar deed…’

‘Zoals Paul Léautaud bij Mercure de France,’ zei het rode varken. ‘Die heeft daar vijftig jaar gewerkt, maar niemand weet wat hij daar uitvoerde.’

‘Misschien geldt dat voor de meeste mensen,’ zei het gele varken. ‘Ze werken hun hele leven, maar achteraf is daar geen spoor van terug te vinden…’

‘Bon. Mariën werkte dus bij de Gazet van Antwerpen,’ vervolgde het zwarte zwijn. Op een gegeven moment organiseerde de krant een wedstrijd, waar je dagelijks antwoorden voor moest insturen. De wedstrijd heette ‘Kijk, denk en win’. Mariën kende de antwoorden op de vragen en vroeg zijn vrienden mee te doen. Zo heeft hij 500.000 frank gewonnen, waar hij L’imitation du cinéma mee heeft gefinancierd. De grootste kost van de film was het inhuren van de prostituee die haar borsten moest laten zien.’

‘Mariën heeft ook tekeningen van Magritte vervalst,’ sprak het gele zwijn. ‘Hij financierde daar zijn boeken mee. Hij had enkele originele brieven en kaartjes van Magritte, en hij vroeg mij of ik die voor hem wilde verkopen, maar dat ging niet zo snel en hij werd ongeduldig. Hij vroeg een half miljoen, wat veel geld was voor een paar brieven. Toen kwamen we op het idee een boek over Magritte te maken, La destination, met de brieven en de prentbriefkaarten en enkele vervalste tekeningen, die gecertifieerd werden door Mariën zelf. De valse tekeningen ontleenden hun onderwerp aan de echte brieven. We hadden er ook twee of drie echte tekeningen tussen gestoken. Een goed systeem. De meeste tekeningen werden verkocht aan bekende Magritte-verzamelaars.’

‘Ik ken die tekeningen,’ sprak de man achter het witte masker. ‘Het is onvoorstelbaar dat iemand ooit heeft kunnen geloven dat ze echt waren. Het zijn naïeve, ronduit slechte tekeningen, want Mariën kon helemaal niet tekenen. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat al die verzamelaars daar in getrapt zijn. Kwam dat door de lage prijs? Waren ze verblind door de verwachte winst? Door ze afgebeeld te zien in een boek? Door het certificaat van Mariën? Door uw verkooptrucs? Het blijft een mysterie.’

‘De mensen hebben liever namaak dan iets echts,’ sprak het zwarte varken.

‘Mmm,’ zei het bleke masker.

‘Dat doet mij denken aan de beenhouwer van Magritte die voorstelde vlees te ruilen tegen een schilderij,’ sprak het rode zwijn. Magritte ging akkoord en schilderde een gehelmde zwanworst die aan een spijker hangt. De slager was heel tevreden.’

Ze zwegen. De man achter het witte masker stak een zoveelste sigaret op. Het zwarte varken zoog aan twee pijpen tegelijk, een in de linkerhand en een in de rechter. Ik verlegde voorzichtig mijn rechterbeen, dat gevoelloos geworden leek.

‘Mariën schrijft ergens over Broodthaers dat die in zijn jaren als boekhandelaar goud over de grens smokkelde door het in te slikken,’ zei de man met de twee pijpen.

‘Dat doet mij denken aan een verhaal over James Lee Byars,’ sprak het rode zwijn. ‘Die zou tijdens een chic diner aan elke dame een gouden balletje gegeven hebben, dat ze mochten inslikken. Tijdens het diner gingen al die dames eventjes naar het toilet, omdat zo’n balletje snel naar beneden zakt. En toen ze het huis wilden verlaten, stond Byars met opgeheven hand aan de voordeur, om zijn balletjes in ontvangst te nemen.’

‘Dat is een parabel over hebzucht,’ sprak het varken met de pijpen.

‘Of over de pragmatische instelling van sommige dames,’ mompelde het gele masker.

Opnieuw zwegen ze. Buiten rukte de wind aan een oude, kreunende eik.

‘Als er geen geld had bestaan,’ sprak de man achter de rode varkenssnuit, ‘dan zouden de surrealisten het wel uitgevonden hebben, als duistere grap.’

‘In 1991 ontmoette ik Pontus Hultén,’ sprak de man met het witte masker, ‘de bekende directeur van het Moderna Museet in Stockholm en de eerste directeur van het Centre Pompidou in Parijs. Teeny, de derde vrouw van Duchamp, had mij naar Hultén doorverwezen, omdat hij nog een paar werkjes van Duchamp had die ik wilde kopen.

     Enkele maanden later bezocht ik hem in zijn kasteeltje in Frankrijk, waar ik een houten Brillo Box zag staan. Ik vroeg hem of die te koop was en hij bracht mij naar de zolder, waar ik een hele stapel dozen aantrof, die ik geleidelijk heb doorverkocht, voorzien van certificaten door de grote Pontus Hultén zelf, die hierin verzekerde dat het ging om Brillo Boxen uit de jaren zestig. En de prijzen gingen de hoogte in. Ik verkocht ze voor 10.000$ per stuk, maar ze werden meteen doorverkocht voor 50, 60, 80, 100.000 en ten slotte zelfs 200.000$ per stuk. Toen ik er een veertigtal had verkocht, vroeg een van de kopers ook om een certificaat van de Warhol Foundation. Dus stuurde ik alle Brillo Boxen naar New York, waar de Warhol Foundation bijeenkwam en mij zonder enig probleem een certificaat bezorgde voor alle dozen. Ze namen ze ook op in de oeuvrecatalogus.

     Meer dan twintig jaar later, Pontus Hultén was net overleden, werd er op een veiling in Stockholm weer een houten Brillo Box aangeboden, een beetje hoog geschat op 200.000$. Tijdens de kijkdagen dook er ineens iemand op die beweerde dat hij eind jaren tachtig tweehonderd Brillo Boxen had gemaakt in opdracht van Hultén, die ze nodig had gehad voor een grote tentoonstelling ergens in Rusland. En inderdaad, bij nazicht bleek dit verhaal te kloppen.

     In de jaren zestig had Hultén ook al Brillo Boxen laten maken, voor het Moderna Museet, maar toen met toestemming van Warhol, die het niet de moeite vond om de oorspronkelijke dozen naar Europa te laten transporteren. Geen enkele van mijn kopers is zich trouwens komen beklagen. Ze hebben er allemaal flink aan verdiend.’

‘Je verhaal doet mij denken aan Marcel Broodthaers, die ook drie vrouwen heeft gehad,’ sprak het rode zwijn. ‘Voor hij een gevaarlijke operatie onderging, aan het eind van zijn leven, schreef hij dat zijn derde echtgenote de enige persoon was die zijn werk voor echt mocht verklaren. Strikt genomen was dat gewoon een voortzetting van zijn uitgangspunt ook eens iets ‘insincère’ te maken. Eigenlijk heeft hij haar zo het recht gegeven zijn werk te vervalsen. Een conceptueel verantwoorde daad van liefde, vind ik.’

‘Drie vrouwen?’ vroeg het zwarte varken.

‘Ik heb er eens twee naast elkaar zien zitten tijdens een diner bij Isi Fiszman,’ zei het gele varken, ‘ze konden goed met elkaar opschieten.’

‘Isi was een speciale gast,’ sprak het witte masker zacht. ‘Ik heb hem vijftig jaar gekend. Drie verzamelaars financierden de Wide White Space: Perlstein, Komkommer en Fiszman. Deze drie. Maar van deze drie Fiszman het meest. Hij bood Anny De Decker eens aan bokalen van Broodthaers te kopen als hij ze meteen kapot mocht gooien.’

‘Panamarenko vertelde mij eens,’ viel het gele zwijn hem in de rede, ‘dat hij met Broodthaers stond te praten tijdens een vernissage in de Wide White Space, toen een keurige dame Marcel kwam feliciteren met de schoonheid van een met eierschalen gevuld vergiet. Marcel liep naar het de sculptuur, plantte zijn vuist erin en vroeg haar: ‘En nu? Vindt ge het nu nog schoon?’

‘In elk geval,’ vervolgde het witte masker, ‘kreeg Isi van Broodthaers de toestemming de bokalen te laten vallen, op voorwaarde dat hij hem de scherven terug zou bezorgen. En met die scherven maakte Broodthaers een van zijn mooiste werken: Machine à poèmes, dat hij aan Isi heeft geschonken.’

‘Isi heeft Warhol eens gevraagd welk werk hij het moeilijkst kon verkopen,’ vertelde het zwarte masker. ‘Most Wanted Men,’ antwoordde Warhol. Een van zijn allermooiste, poëtisch-politieke werken. En dat heeft Isi dan gekocht.’

Toen viel er een stilte.

‘In Dix mille francs de récompense,’ sprak de zwarte pijproker, ‘een interview met Broodthaers dat hij in het geheim zelf had geschreven, schreef hij dat het hem bevreemdde dat niemand een exemplaar van Pense-bête had willen losrukken uit de gipsen klomp waarmee hij zijn dichtbundel onleesbaar had gemaakt. Niemand scheen geschokt te zijn door dit verbod. Hij leidde daaruit af dat hij zonder het te weten beeldhouwer was geworden.’

‘Hij werd door de wereld in de onechtheid geduwd,’ zei het gele zwijn, ‘omdat die onechtheid voor de anderen de ware wereld is.’

‘Ik heb geen bier meer,’ sprak het rode masker.

‘Uw bak is altijd het eerst leeg,’ sprak de pijproker. ‘Ge kunt geen maat houden.’

‘Dat is een feit dat zeker is,’ sprak het witte zwijn.

En toen vervielen ze opnieuw in stilzwijgen. Ik bleef doodstil liggen, om niet op te vallen. Door het dakvenster zag ik een reiger landen, die hoofdknikkend de omgeving afspeurde. Ik hield hem nauwlettend in het oog, scherp afgetekend tegen de opklarende, oostelijke hemel. En toen moet ik in slaap gevallen zijn, want toen ik even later opkeek, waren de gemaskerde mannen verdwenen. En buiten was de hemel lichtblauw geworden en stralend helder en schoon.