Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

GAL - 2010 - Als een mini-zon [NL, essay],
Tekst , 2 p.

 

__________

Hans Theys

 

 

Als een mini-zon

Het werk van Gerard Alsteens

 

Graag trek ik voor u een verhaal als een al te korte draad uit het barokke breiwerk van mijn herinneringen zoals die verknoopt zijn met het leven en het werk van Gerard Alsteens, en zeker vertrekt die draad in de duistere jaren zeventig, in een met donkerbruin fluweel beklede fauteuil, omdat mijn ouders van de toenmalige mode wel het donkerbruin hadden overgenomen, maar niet het oranje, zodat alles in mijn ouderlijk huis bruin was: de kleren, de tafellakens, de eigenlijke lakens, de handdoeken, de pannenlappen, de borden, de gordijnen en zelfs, als ik mij niet vergis, het vale licht dat allerzwakst, als vermengd met oud stof, uit de vermoeide peertjes neerdwarrelde, als lichtbruin geworden, vervuild geel. In die sombere omgeving, stevig verankerd in de geribbelde fauteuil, naast een lage boekenkast, greep ik tijdens momenten van verveling of ergernis telkens weer naar dezelfde pockets waarin ik kennismaakte met de avonturen van Jeeves, Andy Cap, en Charlie Brown of met de cartoons van Gal in het in 1969 verschenen, langwerpige boekje GALERIE, waarin ik als puber kennismaakte met beelden die mijn jeugdige vermoedens over de wereldpolitiek bevestigden of vormgaven. Een vreemd soort troost putte ik uit deze zwart-wit tekeningen, die fris aftekenden tegen de bruine drab van het alledaagse, net als de drie letters die op de kaft het woord GAL vormden en gedrukt waren in het enige oranje dat ik tijdens de donkere dagen van mijn jeugd heb gezien, als een mini-zon.

Toen ik werd uitgenodigd deze bijdrage te schrijven, herinnerde ik mij twee tekeningen uit dit boekje, dat twintig jaar geleden uit de ouderlijke woning is verdwenen, vermoedelijk meegenomen door mijn verhuizende vader. De eerste tekening toont de sporen van tanks op weg naar Praag, die waar ze elkaar overlappen hakenkruisen vormen. De tweede toont de hoofden van twee heren, waarvan de eerste een zware bril draagt en lange schimmelharen in de schedel herbergt, terwijl de tweede zijn lange haar aan de buitenkant draagt, samen met een dun brilletje.

Later, tijdens een zoektocht naar leesvoer in een wereld zonder internet of degelijke bibliotheken, kreeg ik van een langharige, baardige buur alle nummers van het weekblad De Nieuwe, waarvan alle covers gemaakt waren door Gal.

Toevallig leerde ik Gal later persoonlijk kennen. Eerst door mijn dochter Fenna, die tekenles bij hem volgde en met twee van zijn drie wondere zonen in de klas zat.  Later door mijn nicht Nora. Goedlachs is deze man, monter, opgeruimd en aangedreven door een pikant vleugje egocentrisme dat lijkt samen te hangen met zijn eeuwige goede humeur.

Het laatste boek over Gals werk doorbladerend, werd ik het meest ontroerd door de portretten van zijn zoon Joachim, gemaakt in het ziekenhuis.

Ergens halverwege de jaren negentig doorbrak Gal het zogenaamde cordon sanitaire door op de televisie, tegen de afspraak in, een cartoon te tonen waarin de hoofden van twee kopstukken van een rechtse partij onderworpen worden aan een morfologisch onderzoek. Toen ik in het begin van de jaren negentig werd uitgenodigd deel uit te maken van een 'vereniging' ter bestrijding van deze partij, antwoordde ik dat deze partij wel vanzelf zou verdwijnen als iedereen zijn werk goed zou doen. Wat een dwaasheid te geloven dat een maatschappelijk fenomeen kan verdwijnen als je erover zwijgt. Wat een kruiperige angst voor het andere! Welk waarlijk denken zoekt niet onafgebroken naar tegenstand! Maar Gal heeft zijn werk wél gedaan en het achterlijke cordon doorbroken met het tonen van een briljante tekening.

Enkele jaren later vertelde Gerard mij over zijn liefde voor Picasso en Louise Bourgeois. Enthousiast toonde hij mij de wondere catalogus met honderden foto's van Picasso's sculpturen. Altijd weer enthousiast, de man. En toen mijn zoon Maurice geboren werd, nu tien jaar geleden, stuurde Gerard een kaartje met daarop een tekening van een kind dat zijn mama met vier armen omarmt. Prachtige tekening, gemaakt door een man met een tweelingbroer! Een man die zelf drie zonen heeft opgevoed die tegelijk bij hem zijn besteld! Met hoeveel armen kunnen sommigen naar hun onbereikbare moeder reiken! En hoe fijn het gevoel je mama met vier armen omhelsd te mogen hebben, meer dan genoeg om haar te troosten! Misschien voel je daarom nergens bitterheid in het werk van deze man. Scherpte wel, maar nooit bitterheid. En waarschijnlijk vond ik daarom troost in die allereerste zwart-wit tekeningen in het koude bruine huis van mijn jeugd.

 

Montagne de Miel, 21 juli 2010