Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Willy Vynck - 2012 - Vuren voor de viering [NL, essay],
Tekst , 3 p.

 

__________

Hans Theys

 

 

Vuren voor de viering

 

De brieven van W.V. bereiken mij via de telefoonlijn en schrijven zich zelf op mijn computer, waar ik ze ook kan bewaren. Hij stuurt dezelfde brieven naar tal van lezers. In die zin doen ze denken aan de oude Duitse denker Nietzsche, die in een andere eeuw leefde en die een boek schreef voor allen en voor niemand. Alleen is het hier omgekeerd: het zijn brieven voor mij alleen en voor allen. Brieven zijn vreemde zaken, vooral wanneer ze geen antwoord zijn op andere brieven. Zijn het dan nog brieven? Ik denk van wel. Het zijn brieven in een fles.

Hier en daar schemert een soort behaagzucht door deze brieven, maar dan de behaagzucht van iemand die graag een weerwoord zou ontvangen, een bevestiging van zijn bestaan of zijn bedenksels. Maar geen kritiek formuleer ik hier, maar bewondering. Want hoe naakt kan iemand de eigen gedachten in woorden omzetten en aan meestal onbekende lezers presenteren zonder te koketteren? Hoe diep moet iemands wanhoop zijn, alvorens hij of zij die tracht te overstijgen, te kneden en leesbaar te maken en te offreren aan een lezer?

Graag draai ik deze gedachte meteen om en vraag ik hoe blijmoedig iemand moet zijn om zijn of haar gedachten ongevraagd de wereld in te sturen. En opnieuw denken wij aan Nietzsche, die een onvermoeibaar koorddanser was zonder publiek.

En natuurlijk vermeld ik deze oude, befaamde dichter-denker ook om mijn woorden kracht bij te zetten. Niet uit lafheid, maar bij gebrek aan beelden, misschien, die ik aan deze brieven kan toevoegen zonder er afbreuk aan te doen. Ik schrijf deze woorden op verzoek van de auteur. Zelf vind ik ze overbodig. De brieven spreken voor zichzelf. Het zijn beknopte meldingen uit het ondergrondse of uit de ijlste sferen. Zorgvuldig geijkt en geknoopt, karig van woorden, alsof er papierschaarste heerst. Maar er heerst geen papierschaarste, vandaag, eerder verzuipen wij in de woorden dan ernaar te snakken. Er wordt teveel en te slordig gemorst met woorden deze dagen, niet door het volk, dat weliswaar ook veel praat over onnutte en geesteloze zaken, maar door de mensen van wie we een strak en diep woord verwachten, onze gezagsdragers, schoolmeesters, krantenschrijvers, radiomensen en treurbuiskwakers. Die mensen, dus.

De woorden zoals ze hier worden gedragen, op een schaaltje, winnen opnieuw aan kracht of betekenis. Naast elkaar geplaatst, vormen ze beelden. Soms spreken ze over gemoedsbewegingen, soms over vreemde gebeurtenissen, soms over terugkerende gedachten van een man die de dingen vanop een afstand bekijkt en er stil het zijne van peinst. Er wordt veel gekeken, hier, veel vruchteloos getobd, ook, maar zonder aarzelen gedacht en vervolgens zorgvuldig gecomponeerd.

In deze brieven ontmoeten wij een grootvader zoals die zich voordoet op een foto met de nog jonge schrijver, wat hem vandaag een bedenking over de foto ontlokt, alvorens zich te herinneren hoe zijn grootvader de overjassen schuierde, toen ze na een uitstap weer thuisgekomen waren. Het woord ‘schuieren’ wordt zelf als een foto zoals de auteur hem omschrijft: ‘een tastbare herinnering aan wat je lang vergeten bent’. Het woord wordt een beeld voor iets dat ik nooit heb gezien, maar mij nu kan voorstellen alsof ik het zelf heb meegemaakt.

Ik heb mijn grootvaders niet gekend. Ook zo spreekt die brief tot mij. Hij roept beelden op aan mannen die ik niet heb gekend.

Ik denk dat mijn moeder haar vader veel heeft gemist. Ik weet niet of hij zijn overjassen zelf schuierde. Na de oorlog vonden de weerstanders zijn ondiep begraven zogenaamde uniform (zijn trouwkostuum), dat mijn oma niet had verbrand, omdat ze het later nog wenste te gebruiken voor haar naaiwerk.

Als je alleen kan missen wat je niet hebt gehad, dan heeft mijn moeder haar vader niet gemist, maar vervloekt, omdat hij zo vroeg gestorven is en haar heeft achtergelaten met haar onzachte moeder.

In de stilte van het wachten in een wachtzaal voelt de schrijver zijn adem te luid worden en dan te stil. Zodat hij zichzelf in tweeën snijdt en zegt rustig te kunnen ademen terwijl hij op dezelfde stoel zijn adem inhoudt om niemand te storen. Zo snijden de schrijver en de fotograaf zich in tweeën om uit de ellende dingen te kunnen maken die mooi zijn.

Soms snijdt hij ook de pianist in stukken, zodat er enkel de handen, een hoofd en de muziek overblijven die samen een volmaakt beeld vormen van dingen die nooit hebben bestaan. Denk ik. Ik begrijp niet alle woorden. Ze trekken zich gauw terug. Ze tonen zich maar even. De brieven zijn muziekstukken, korte variaties van Bach, een fugatisch druppelende stroom.

Niemand weet wat foto’s betekenen en niemand weet wat teksten betekenen. We kunnen alleen weten wat ze voor onszelf betekenen, vandaag. Ik lees graag de bedenkingen voor zichzelf van Marcus Aurelius, omdat je begrijpt dat hij tot niemand spreekt en hoe ontroerend het is dat we zijn gedachten vandaag kunnen lezen. Proust hield niet van de brieven van Flaubert. Kafka wel. Misschien om dezelfde reden als hij van Strindberg hield: omwille van de niet te stoppen stroom van woorden. Bij Kafka kwam de motor traag op gang. En snel doofde het vuur weer. We zien dat goed in zijn dagboek, waar verhalen met volle vaart vertrekken en al even snel abrupt stoppen. W.V. weet te starten en te stoppen. Dat is op zich al iets wonderbaarlijks. Hij maakt foto’s met woorden.

Voor Philip Larkin geeft een gedicht leesbaar gestalte aan een ervaring van de auteur. In die zin zijn de brieven van W.V. gedichten. Hij ziet een watertoren, hij denkt aan een koning (omdat alleen grote heren zich watertorens konden permitteren) en dan ontdekt hij de koning in een duif die op een schouw zit als op een troon. De watertoren wordt een troon ter hoogte van een krukje voor de peinzende dichter.

En dan weer een prachtige foto: ‘Het is tijdens de nacht dat wat onbereikbaar is, eeuwig voor het raam blijft staan.’

En dan weer een prachtige film: ‘Traag tijdens een langzaam verhaal, voer hun achtersteven, hoger dan de kaaimuur, de haven uit.’ Perfect gemetseld ritme, als een bewegend Chinees schilderij of gedicht dat we zijwaarts open rollen.

En dan een verhaal over een schilderij van Ensor, voorstellende een rog, waarin we opnieuw kennis maken met de grootvader van de auteur, de grootvader die zich bukt op de jongen op ooghoogte de zee aan te wijzen. De grootvader die een vak heeft, en gereedschappen, en een bijzondere voorschoot. Dingen die ik niet mag navertellen, maar waarover ik kan melden dat ze mij hebben getroffen.

Eén keer per jaar werd de beerput leeggeschept, met een grote kastrol die aan een steel was bevestigd. De parelmoerkleurige brij werd in de lichtblauwe, platte kruiwagen geschept en dan naar de moestuin gereden, bergaf, over het burgerlijke grasveld. Naast de open kuil lag de deksteen. En zo klonken herhaaldelijk de waarschuwingen, omdat het over en weer gaan met de kruiwagen het bewaken van de kinderen onmogelijk maakte, naast de put.

Blij dat iemand sommige van mijn herinneringen losweekt en in ere herstelt. Want tijdens de lange dag verspreidt het licht zich uit eenzaamheid, zoals W.V. schrijft, en heeft hij in één lamp het vuur te dragen voor de viering van een feest. (Als dergelijke lampen tonen zich aan ons zijn brieven.)

 

 

Montagne de Miel, 18 oktober 2012