Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Wouter Bolangier - 2003 - Teler van beelden [NL, essay],
Tekst , 5 p.

 

__________

Hans Theys

 

 

Teler van beelden

Over het werk van Wouter Bolangier

 

In de tuin van een galerie treffen we een serre aan. In die serre dragen twee gegalvaniseerde schragen een glazen tafelblad. Op het blad staan dertig glazen bloempotten met daarin een glazen plantje en een voorwerpje. Een beetje verder ontmoeten we een roestvrijstalen frame waarop twee in ge-
galvaniseerd bandijzer gewikkelde berkenstammen rusten. Onderin een roestvrijstalen bak liggen elf grote, gegoten bladeren.

In het werk van Wouter Bolangier keert het beeld van de plant voortdurend terug. De man is een teler van beelden. Als adolescent herstelde hij de ruiten van de plantenserres van zijn vader. Hij heeft zich niet afgewend. Zijn werk is als een reis en een thuiskomst.

Onderin een kubusvormige structuur rust een spiegel waarop een bol ligt. Bovenin zweeft een tweede spiegel, die de eerste aankijkt. Door een gat in de bovenste spiegel kunnen we naar binnen kijken in de eindeloze ruimte van een virtuele toren, waarin de bol een glijdende beweging maakt. Bovenop de kubus staat een groep glazen kegels. (Dit werk is een compacte variant van een vroeger werk rond de hoogmoed en de broosheid van de tweelingtorens, waarbij de toeschouwer de hopelijk niet benutte mogelijkheid krijgt een bal in de richting van een aantal keurig opgestelde, glazen kegels te rollen.)

Tegen de muur van de galerie zweeft een stalen stok met een golvende, glazen vlag waarop de sterren vervangen zijn door een zwerm moordenaarsbijen. Een beetje verder vinden we dezelfde glasplaten, waarbij het lijkt of de gewone honingbijen gevangen zitten in de zeskantige mazen van een in het glas gebed, metalen gaas.

‘Killer bees vallen altijd aan in groep,’ vertelt Wouter Bolangier. ‘Ze hebben ook een soort geheugen, want ze kunnen dagenlang razend blijven. Ze maken vijf keer minder honing dan gewone honingbijen. Hun humanitaire bezigheden zijn eerder beperkt.

’Elk werk spreekt op een verstilde manier. De woorden zijn verzonken. Over de beelden zwerven gestileerde schimmen die doen denken aan de symbolen van een kaartspel of de vreemde figuurtjes op de stenen overblijfselen van verdwenen culturen.

Als het waar is dat wij in een wereld leven die zich onophoudelijk verbergt, dan toont een venster ons alle geheimen die niemand kent. Propere ramen geven ons een beter uitzicht op het labyrint dat ons omringt. De sleutels zijn verstopt. Soms zweven ze als ongrijpbare tekens van mist over het oppervlak van het glas, zoals de geheime wenken van de rookdraadjes die voor onze ogen dansen. Soms is het glas zelf mistgordijn geworden en zweven de kabbalistische karakters rond als knipogende sleutelgaten.

Ik vraag Bolangier waarmee hij het meest plezier beleeft in zijn werk. ‘Eerst moet je neerzitten en beginnen,’ vertelt hij. ‘Elk werk ontstaat op papier. Dat is een individueel gebeuren. Daarna wordt het meestal een groepsgebeuren. De meeste werken kan je niet alleen maken. Daarna keert het werk terug naar het atelier en wordt je bezigheid weer individueel. Die tussenstap waarbij je kan samenwerken maakt het spannend. Je moet andere mensen in vertrouwen nemen en samen naar oplossingen zoeken. Ten slotte zijn er ook de contacten met bezoekers die het voltooide werk zien en erover praten. Dat vind ik ook heel spannend. Het is boeiend te zien hoe mensen door een ontmoeting met je werk op een andere manier gaan kijken en allerlei verklaringen en verhalen uitproberen.’

Glas maken doe je niet alleen. Voor het traditioneel maken van een wijnglas heb je vijf mensen nodig. De blazer zorgt voor de kelk, de glasmaker maakt het been en de voet, de keier haalt het glas dat nodig is voor been en voet uit de glaspot, de indrager brengt het afgewerkte glas naar de koeloven en de pijpenklopper klopt de glasresten van de blaaspijp en helpt de glasmaker.

De blazer steekt de blaaspijp door de werkopening van de oven in de gesmolten glasmassa en vangt door ronddraaien een klompje gloeiend, stroperig glas dat als een dikke suikerspin aan de pijp blijft hangen. Het glasklompje aan de pijp wordt op een ijzeren plaat heen en weer gerold en een beetje langwerpig gemaakt. Door even in de pijp te blazen, wordt het bolletje hol gemaakt. Deze voorvorm wordt in een mal gebracht en in de juiste vorm geblazen. Als de geblazen glaskelk gelukt is wordt ze met de blaaspijp doorgegeven aan de glasmaker, die er samen met de keier een steeltje en een voetje aan zal plakken. Ten slotte wordt het glas los getikt van de blaaspijp, traag gekoeld en ontdaan van de kap.

Bijna alle geblazen, glazen voorwerpen hebben twee wonden. Ze bestaan uit drie delen, zoals een bij. Aan de ene kant heeft het voorwerp een mond, waarlangs het geblazen werd, aan de andere kant een soort staart, een ongebruikte bol glas, een aanhangsel. Alleen het middelste deel wordt behouden, de andere delen worden afgesneden. 

In het werk van Wouter Bolangier wordt de bovenkant van een vaas niet afgesneden. De gesloten ballonvorm blijft behouden. Vervolgens plaatst hij er een nieuwe, langwerpige vorm op. Eigenlijk zien veel van zijn sculpturen eruit als een groot wijnglas met een nog bolle, gesloten bovenkant en een extra steel op zijn kop, een beetje zoals de zotten op bepaalde, oude prenten een trechter als hoofddeksel dragen.

Ik sta in het atelier van Wouter Bolangier. Op een stevige tafel liggen vier damespolsdikke, vette, glazen pannenkoeken van bijna een meter doorsnede. De pannenkoeken zijn ontstaan door een dikke bol ge-smolten glas aan het uiteinde van een metalen staaf heel snel en krachtig rond te draaien, een beetje zoals je een hoepel rond je arm laat tollen. Vroeger werd zo vensterglas gemaakt. Een schetsje en een legende in een oud handboek over glas leren mij dat je daar oersterke en zeer bekwame stielmannen voor nodig had.

Bolangier vertelt mij dat hij de pannenkoeken van een kwiklaag heeft voorzien om er spiegels van te maken. Later zal hij op deze spiegels, die lijken te rimpelen als water waar net een steen in is gevallen, een soort van langgerekte glasdruppel kleven. (Elk glazen voorwerp is een voorlopig gestold moment, eigenlijk nog altijd vloeibaar. ‘Oude, hoge kerkramen zijn bovenaan altijd een beetje dunner, omdat ze een beetje ingezakt zijn,’ vertelt Bolangier.) De in een plas vallende druppelvorm komt vaak voor in dit werk. 

Het is de zotskap van het glazen voorwerp, een uitgerekte, doorzichtige muts, een boomblad waarop een tweede steel geënt werd, een zaadcel die zich in een eicel stort. Soms ziet de eicel eruit als een spiegelende plas, de bewegende spiegel van een oude film van Jean Cocteau, een doorgang naar een andere wereld. Soms ziet ze eruit als een gestileerd labyrint. (De klepel zoekt de klok.)

Als een dandy iemand is die erin slaagt niet te struikelen ondanks de weerspannigheid van de voorwerpen die hem omringen, dan is Wouter Bolangier een dandy. Zijn laarzen plooien niet dubbel als hij ze probeert aan te trekken, zijn sokken draaien hun hiel niet naar omhoog en zijn paraplu klapt niet naar boven om ons de blinkende, magere armen te tonen.

Elk glas is als stilstaand water dat soms uiteenvalt in scherpe messen. Elk glas verbergt zijn eigen scherven. Maar hier trekt de kunstenaar zacht geëtste bellen en druppels uit het niets zonder zich te snijden. De grote bijl maakt de rust hoorbaar. We proeven de stilte na de storm.

 

 

Montagne de Miel, 12 mei 2003.