Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Koen Deprez - 2020 - Verstoorde stoverij [NL, essay],
Tekst , 3 p.

 

____________

Hans Theys

 

 

Verstoorde stoverij

Over het beeldend en handelend denken van Koen Deprez

 

In de vroege jaren negentig las ik twee jaar lang elke ochtend brieven van Flaubert. Ik was hiermee begonnen omdat Kafka van Flauberts werk hield. Maar ik bleef ermee doorgaan omdat ik er bijna niets van begreep. Achteraf beschouwd, waren de opvattingen en overtuigingen van Flaubert, samen met opmerkingen van Panamarenko, Walter Swennen en Witold Gombrowich, het beste tegengif voor de academische grootspraak die mijn denken neigde in te snoeren en te ontmannen, door het te beroven van inzichten die enkel het gevolg kunnen zijn van beslissingen, handelingen en ervaringen.

Voor mensen die de werkelijkheid graag benaderen door haar te classificeren (en uit deze clasificaties voorschriften te distilleren) is het oeuvre van Flaubert een nachtmerrie. Hij was geen romanticus, want hij was een meticuleus beschrijver van wat hij waarnam en ervoer en een van de allereerste kunstenaars die het banale tot onderwerp van hun kunst durfden te maken (Kundera noemde dit de voortgaande annexatie van de banaliteit, de pop art is hieruit voortgekomen). Niets is banaler en onbenulliger dan de grote passie van Madame Bovary. Tegelijk, en Girard heeft hierop gewezen, is niets romantischer dan haar aspiraties. Verder was Flaubert ook de auteur van de historische roman Salammbo. De historische romans zijn een voortbrengsel van de romantiek, maar aan Flauberts roman was zoveel nauwgezet opzoekingswerk voorafgegaan dat het misschien ook de eerste realistisch of ‘naturalistisch’ opgezette historische roman was.

‘Er bestaat maar één schoonheid, maar er zijn veel stijlen,’ is een van de zinnen van Flaubert die mij het meest hebben geraakt, omdat ik eruit afleidde dat ‘stijlen’ en ‘scholen’ irrelevant waren als ‘doel’. Elke vorm bleek artistiek verantwoord, als hij ‘werkte’.

Koen Deprez nodigde mij uit iets te schrijven over het hybride karakter van zijn werk, vermoedelijk omdat hij weet dat ik geen belang hecht aan ‘stijlen’ en nooit op zoek ben naar de ‘juiste’ of een ‘ware’ benadering, maar naar een veelheid van benaderingen, naar een botsing van probeersels, naar elke vorm die vruchten afwerpt door de toeschowuer, lezer of toehoorder heel even verder te brengen dat zijn of haar gewoontedenken, dat de werkelijkheid en het werkelijke voor het grootste deel van ons leven aan onze waarneming onttrekt (om ons te beschutten tegen teveel indrukken).

Als er iets is dat Deprez’s werk ons leert, dan is het wel dat niets ons echt kan beschutten. Allicht heeft dat iets te maken met het feit dat zijn vader een politieman was tegen wie binnenshuis geen beschutting voorradig was, maar ook, zoals ik net las, met het feit dat iemand met wie hij als jongeman samenwerkte in Koolhaas’ Office for Metropolitan Architecture en die hij heel even als een model of vaderfiguur moet hebben beschouwd, Jan Voorberg, tijdens een werkbezoek aan Brasilia, bij het fotograferen van een bank, werd neergeschoten door overvallers. In al zijn werken is Deprez op zoek naar vormen van inbraak, infractie, breking, verrassing en nieuw veroverd braakliggend terrein. Vroeger schreef ik over hem dat zijn oeuvre mij deed denken aan Lévi-Strauss’ overtuiging dat bepaalde (maatschappij)structuren ‘gebeurtenissen’ kunnen teweegbrengen, een geboorte van een nieuw verschijnsel, zoals sociale stabiliteit of vrede. Zogauw de vrede zich heeft geïnstalleerd, echter, moeten we op zoek naar tactieken om nieuwe verrassingen, ontsporingen en afwijkende inzichten uit te lokken. Niet omdat we de vrede vrezen, maar omdat ze vanzelf een leger regelneven laat ontstaan, die ons leven insnoeren en ons denken wereldvreemd en ondoeltreffend maken. De astronauten, bergbeklimmers en zweefvliegers worden met pensioen gestuurd, de schoolmeesters nemen het over en het echte, beweeglijke, handelende denken gaat dood.

In 1988, als vijfentwintigjarige, academisch opgeleide snoeshaan, vroeg ik aan Panamarenko of ik zijn werk kon beschouwen als de vrucht van een ironisch negeren van de grens tussen kunst en wetenschap. Zijn antwoord was helder: ‘Er is helemaal geen ironisch negeren van een grens, de ironie bestaat juist in het doen alsof er een grens is.’ Hetzelfde geldt, volgens mij, voor een zogenaamd onderscheid tussen kunst en architectuur, beeldende en toegepaste kunsten, vormgeving en schepping. Ofwel helpt iets ons vooruit, ofwel niet. Ofwel maakt het iets op een nieuwe manier zichtbaar en voelbaar, ofwel niet. Ofwel draagt het bij tot een aangename omgeving en meer adem- of denkruimte, ofwel niet. Ofwel maakt het plaats voor de mens en vergroot het de gevoelsmatige, spirituele en intellectuele vrijheid, ofwel niet. Het opent deuren en ramen, of het houdt ze gesloten. Daarom weiger ik te spreken over een hybride kunstvorm. Zonder bastaardij zijn kunst, wetenschap of technologie onmogelijk, kan ons blikveld niet verschoven worden. ‘De poëzie,’ schreef Flaubert, ‘komt voort uit de stront. We moeten die daar uitvissen. Zuivere poëzie bestaat niet.’

Er bestaan geen absolute recepten. Altijd moeten we blijven dansen met de werkelijkheid. De ene dag moeten we ons bevrijden van zinloze krullen door het modernisme uit te vinden, de volgende dag moeten we nieuwe inbreuken verzinnen om aan de wurgende gevolgen van het modernisme te ontsnappen. Vernieuwingen en nieuwe inzichten komen vrijwel altijd voort uit kruisbestuivingen, parallelle bezigheden, elkaar overlappende denkpatronen. Nooit uit een rigide of plichtsbewust toepassen van regels.

Architecturaal denken vertrekt van ruimte om ademruimte te scheppen. Het is een denken met schaalverschuivingen, dat onze warneming oprekt, schokt, in verrukking brengt. In die zin verschilt het niet van tekenen, schilderen, musiceren, bergbeklimmen, reizen, debatteren, nadenken over God of zinvol leiding geven. Het is een vorm van denken, grotendeels beeldend van aard, maar ook een vorm van politiek en/of poëtisch handelen. Het is een goochelen met vormen, met licht, met voorstellingen, met denkbeelden. Het is een ‘verstoorde toverij’, zoals Deprez ergens schrijft over een lichtschijnsel dat ’s nachts de zoldering van zijn studentenkamer deed oplichten, een Voorberg stoverij voortgekomen uit een gestoorde rooftocht.

Deprez dekt zich niet in, hij geeft zich bloot. Hij tart het lot en zoekt de verrassingen, de overvallers en de verstoring op.  Hij is geen hybride denker. Hij is een denker tout court.

 

 

Montagne de Miel, 23 mei 2020