Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

xpo - 2020 - Maybe Tomorrow [NL, concept text],
Tekst , 17 p.

MAYBE TOMORROW

JORIS GHEKIERE IN EMERGENT

 

 

VOORWOORD

‘Maybe Tomorrow’, zo luidt het opschrift op een schilderij van Joris Ghekiere. Nu is morgen gekomen en plaatsen we zijn werk niet alleen naast dat van tijdgenoten, maar ook naast dat van mensen die pas uit het ei zijn gekropen en op een frisse manier een gesprek aanknopen met zijn oeuvre.

Toen ik werd uitgenodigd een tentoonstelling rond Ghekieres werk samen te stellen, was ik blij, omdat dit mij een nieuwe gelegenheid bood kennis te maken met een oeuvre dat altijd gewaardeerd is door schilders en daarom onze aandacht verdient.

Het werk van Ghekiere lijkt voort te komen uit een duister levensgevoel, dat op een dansante manier omarmd, geknecht of overstegen wordt. We zien een kunstenaar aan het werk die verbeten terugvecht en een plaats voor de eigen gevoeligheid opeist. Hij doet dat natuurlijk door de keuze van zijn onderwerpen, maar ook en vooral doorheen een zoektocht naar een eigen schilderkunstige benadering, die we het best kunnen appreciëren in de eerste zaal na de trappen, waar we een schilderij uit zijn bekendste reeks kunnen vergelijken met een allereerste, met penseel geschilderde versie. Het gaat om de weergave van een bruid in de jaren zestig die, zoals toen gebruikelijk, een foto liet maken van de achterzijde van het hoofd, om later te kunnen zien hoe mooi haar kapsel was op haar huwelijksdag. In de eerste versie wordt dit beeld samengesteld uit talloze, modelerende verfstroken. In de tweede en uiteindelijke versie, bestaat het schilderij uit een donkere achtergrond die na het drogen werd overschilderd met een veelkleurige voorgrond, die vervolgens weer werd verwijderd door de bovenste verflaag opzij te vegen of weg te scheppen met een zwabber of penseel.

In het hele oeuvre van Ghekiere zien we deze pendelbeweging tussen het met de kwast samengestelde schilderij en het zoeken en vinden van technische oplossingen om soortgelijke effecten te bekomen. Het verrassende en boeiende aan zijn werk is dat het altijd een soort van stroefheid behoudt, die alleen maar gewild kan zijn. Altijd zoekt zijn werk de grens op van het onaffe, het koppige, het weerbarstige, als berichtte het over de avonturen van een demiurg die te maken krijgt met een onhandelbare, zwarte materie, die zich niet probleemloos laat plooien naar licht en lucht.

De ruggengraat van de tentoonstelling bestaat uit twintig schilderijen van Ghekiere, die een overzicht bieden van zijn thema’s en technieken. Daarrond wentelen, als satellieten, beeldhouwwerken, schilderijen, foto’s en ruimtelijke ingrepen die door hun vorm of thema verwant zijn met het werk van Ghekiere en samen een boeiend en ontroerend gesprek tot stand brengen. Veel moeilijke woorden wens ik hier niet aan toe te voegen. Liever besluit ik met de woorden van de kunstenaar zelf, zoals ik die in 2009 heb opgetekend.

 

 

KANTELEND IN DUISTERNIS, MAAR ZWIERIG GESCHILDERD

GESPREK MET JORIS GHEKIERE

 

Als mijn negenjarige zoon Maurice en ik arriveren in De Bond (Brugge), enkele uren voor de opening van een solotentoonstelling, is Joris Ghekiere nog niet gearriveerd. Maurice monstert de schilderijen en vertelt mij dat hij er twee mooi vindt, al begrijpt hij niet hoe ze zijn gemaakt, want ze zijn niet ‘geschilderd’. Zodra hij aan Ghekiere is voorgesteld, steekt hij van wal.

Maurice Theys: Dit oranje heb je toch niet geschilderd?

Joris Ghekiere: Niet met een penseel, dat klopt. Schilderen kan je op veel manieren: met een penseel, maar ook met een spons of een doek, spattend of spuitend… Het oranje dat je aanwijst, is gespoten met een verfpistool dat is aangesloten op een compressor. Het is verdunde olieverf. Het spuiten zelf is niet zo moeilijk. Het is wel moeilijk zo’n mooie cirkels te spuiten. Dat doe ik door het schilderij op een ronddraaiende schijf te leggen. Ik zit op een stelling die boven dat schilderij hangt, met een gasmasker op, en ik hou de spuitkop stil boven het ronddraaiende schilderij.

- Ik begrijp niet hoe je ervoor zorgt dat de achtergrond vrijwel overal over de randen van de partijen op de voorgrond schemert. Ik heb nog nooit zo’n vernuftige factuur gezien.

Ghekiere: Wat jij ervaart als de achtergrond, de wazige, vaak concentrische ‘dégradés’, is eigenlijk de voorgrond, de laatst aangebrachte verflaag. Eerst schilder ik de ondergrond, die vaak donker is, en daarna spuit ik er een dégradé over. Het beeld creëer ik door partijen van die laatste laag, als ze nog nat is, te verwijderen met een rubberen aftrekker. De donkerste partijen zijn de plekken waar ik het meest voorgrond van heb verwijderd. De tussentonen worden verkregen door met een brede, versleten behangerskwast verf van de bovenlaag opnieuw over de schoon gestreken delen te smeren…

- En het schilderij met het zotte raster en de ingekleurde vlakken? Hoe verkrijg je die witte zweem voor de zwarte strepen?

Ghekiere: Die schilderijen maak ik door eerst een raster ineen te plakken met staafjes van piepschuim. Ik ben dol op dingen die zich verder zetten, zoals bomen of rasters. Voortwoekerende systemen… Dat piepschuimen raster leg ik bovenop het schilderij vooraleer ik het laat ronddraaien en voorzie van de laatste laag. Omdat die staafjes zich niet allemaal op precies dezelfde hoogte bevinden, nevelt er soms verf onder. Dat geeft die vreemde zweempjes.

- Hier en daar zet je uiteindelijk toch nog extra toetsen, bijvoorbeeld die koddig bibberende hooglichtjes op de portretten van de dames die hun kapsel tonen.

Ghekiere: Ja, ik werk niet volgens sluitende systemen. Alles is mogelijk. De toets is een schildersprobleem. Ik probeer iets na te bootsen, maar dan zonder een traditionele toets te gebruiken. De witte kloddertjes die je aanwijst, heb ik aangebracht met een penseel dat bevestigd was op een draaiende, elektrische boor. De beelden zijn afkomstig van dames die hun trouwkapsels lieten fotograferen door een fotograaf, omdat ze die anders nooit zelf konden zien. Ik vond die foto’s intrigerend, omdat die dames tijdens het maken van de foto naar hun eigen schaduw kijken… In elk van mijn schilderijen vindt een soort van kanteling plaats. Ik toon een vorm van verleiding of ik probeer zelf een verleidelijk schilderij te maken, maar dan begint het beeld ineens te schuiven en dreigt het te verdwijnen in een donker gat. Ik heb het eens zo geformuleerd: ‘Sommige beelden uit de ons omringende beeldenbank vallen in mijn werk stil en worden een soort van cruciale beelden, dicht bij de zenuw, waar de verleiding geënsceneerd wordt, waar schoonheid overslaat in ijdelheid en waar echtheid gereanimeerd wordt, heropgevoerd wordt.’

     Veel meer kan ik er niet over vertellen. Alle mensen die over mijn werk schrijven, schijnen het daar trouwens moeilijk mee te hebben, ze krijgen geen vat op de beelden en zijn meestal teleurgesteld of gefrustreerd. Ze willen per se begrijpen waar mijn schilderijen over gaan, maar vinden geen samenhang. Is er een samenhang, volgens jou?

- De samenhang berust in je manier van schilderen. Natuurlijk gebruik je beelden van webcams of foto’s van dames die hun kapsel laten fotograferen of een beeld van een open haard, maar pas nadat je ze door je persoonlijke mangel hebt gehaald, worden het waarlijk nachtelijke taferelen, die lijken na te spelen hoe wij in onze hoofden zelf de nacht voelen opdoemen en proberen terug te dringen…

Ghekiere: Aan de ene kant heb je die ‘virtuele’ beelden van vrouwen die zich uitkleden voor webcams en aan de andere kant de realiteit van zo’n dode hond. Het schilderijtje van de dode hond is op een traditionele manier geschilderd.

- Bij sommige schilderijen zien we een andere relatie tussen voor- en achtergrond, bijvoorbeeld in de besneeuwde boom met de smeltende en naar beneden vallende klodders.

Ghekiere: Dat is een ouder schilderij. De tentoonstelling bevat twee of drie oudere werken, die nog anders gemaakt zijn. In dit geval heb ik eerst de boom en de sneeuwklodders geschilderd. Daarna heb ik de partijen die ik goed vond, bedekt met een laagje latex, met een rubberen masker, dat ik er na de finale overschildering weer heb afgepeld… De vreemde vlekjes in het schilderij dat je hier ziet, zijn afkomstig van een stortbui.

- Elders vinden we een schilderij van een opgezet hert, waarin je kringen van stroef verschuivende kleurwaarden schildert. In het algemeen ben ik getroffen door de manier waarop je violette toetsen combineert met groen of hier en daar een violet of lichtblauw accent toevoegt. Ik vermoed dat je vroeger geschilderd hebt naar kleurnegatieven.

Ghekiere: Dat klopt. In deze schilderijen gaat het echter meestal om schijncontrasten, omdat die ogenschijnlijk uiteenlopende kleuren eigenlijk dezelfde toonwaarde hebben. Als je de schilderijen zou reproduceren in zwart-wit, zou je geen kleurverschil opmerken.

- Je schilderijen bieden een draaglijk beeld voor een samengaan van onbehagen en genot…

Ghekiere: De concentrische dégradés bezorgen je een soort van blindheid, die mij boeit. Je kan er niet op focussen. Het is een optische illusie die je niet kan vastpinnen. Je weet niet wat je ziet. Hetzelfde gebeurt met de patronen die scheef voorgesteld worden. Je denkt als toeschouwer dat je houvast hebt, je denkt dat je het schilderij begrijpt of juist aanvoelt, maar op een bepaald moment kijk je in een zwart gat of kijk je erdoor. Ik denk dat ik probeer de toeschouwer mee te nemen in een beeld. Vind je het spannend? Kijk dan ook maar eens in een zwart gat… Dat vind ik interessant: dat gladde ijs, de onzekerheid, het moment dat de dingen kantelen. Ik ben gefascineerd door wat Nietzsche een teveel aan schoonheid noemt, iets dat elk ogenblik onverdraaglijk kan worden… Onlangs woonde ik een concert van Squarepusher bij en plotseling begonnen er stroboscopische lichten te flikkeren in de richting van het publiek. Ik sloot mijn ogen en bleef een nazinderend licht zien. Mmm, dacht ik, dat is waar ik naar op zoek ben in mijn schilderijen: je luistert naar keiharde muziek en plotseling valt de muziek stil. De muziek blijft nazinderen en je probeert de klank vast te houden, terwijl je in een tunnel kijkt die je verblindt.

 

 

Montagne de Miel, 1 mei 2009

 

 

 

WALTER SWENNEN EN LUC TUYMANS OVER JORIS GHEKIERE

Walter Swennen: Wat ik boeiend vind, ook al zou ik zelf nooit zoiets doen, is de manier waarop hij bepaalde kleuren gebruikt, bijvoorbeeld groen. Het lijkt alsof sommige schilderijen gloeien, zoals een houtvuur dat onder de asse blijft smeulen. In het Frans bestaat de uitdrukking ‘la fièvre couve’. Daar doet het mij aan denken. Als een irriseren van ontbindende kleuren, als een beschaduwd, naar binnen gericht gloeien, broeien, smeulen of fosforesceren, als een duister aura.

Luc Tuymans: Ik heb het atelier van Joris verschillende keren bezocht. Bij een van die bezoeken heb ik een schilderij van hem gekocht dat ik heel bijzonder vond. Het was een vrij traditioneel landschap van ongeveer 50 x 60 cm. Het was iets dat ik echt wou hebben, maar het stond gewoon ergens tegen de muur, omdat Joris het niet goed vond. Walter heeft gelijk, ook in dit werk gebeurt iets bijzonders met groen. Het schilderij is afgewerkt met een glanzende toplaag van doorzichtig polyester die de verftoets verscherpt, die op zich al heel precies is. Dat werkt heel goed. Maar het meest verrassende aan het werk is dat het oogt als een traditioneel landschap, maar tegelijk een afwezigheid oproept. Naar mijn gevoel zit het werk op de breuklijn van iets dat voorwendt iets te zijn, maar tegelijk iets heel anders doet, als een understatement.

 

Montagne de Miel, 13 oktober 2020

 

 

RAOUL DE KEYSER

Zoekend naar een steeds grotere stilering vanuit de Nieuwe figuratie, combineerde Raoul De Keyser (°1930) de veelsoortige afbakening van lijnen in het werk van Barnett Newman met de speelse ongrijpbaarheid van kunstenaars als Blinky Palermo en een onvermoeibaar uitproberen van verschillende soorten doek en verf. Het doel was een lichtvoetige elegantie, het parcours moest stroef zijn.

De overeenkomst met het werk van Joris Ghekiere berust in de eerste plaats in het opzoeken en nadien trachten te overwinnen van weerbarstigheid.

‘Veel van mijn schilderijen,’ vertelde De Keyser mij in 2009, ‘zijn een oefening in moeizaam schilderen, een aanzuiveren van lijnen of vlakken. Vroeger had ik een buurman die de witte lijnen op het voetbalveld aanbracht. Hij deed dat nog met een emmer en een kwast. Tijdens het schilderen moest hij zich soms herpakken, omdat het weerbarstige gras zich verzette… Ik heb ook altijd gezocht naar vormen van weerbarstigheid. Wat is technisch kunnen? Het overcrossen van daar naar daar. Sommigen doen dat zo rechtlijnig mogelijk, een ander doet dat al walsend…’

 

 

 

WALTER SWENNEN

In het werk van Walter Swennen (°1946) komen veel verschillende invloeden samen: jazzmuziek, filosofie, literatuur, concrete poëzie (Bob Cobbing), comic books (Brick Bradford), Système D, het kleurgebruik van Mondriaan, de kleurvelden en de vlakke schilderijen van de abstract expressionisten, het paletmes van Claire Fontaine en een oneigenlijk gebruik van poetsgerief.

Op louter schilderkunstig vlak, en uiteindelijk is dit het enige dat er voor Swennen toe doet, speelt hij met de mogelijkheid al dan niet een ‘picturale ruimte’ op te roepen door het naast elkaar plaatsen van verschillende vormen van kleurgebruik en verfbehandeling. Hier ontmoet zijn werk dat van Ghekiere, omdat beide kunstenaars toveren met plaatsverwisselingen tussen voor- en achtergrond.

De grondtoon van Swennens werk is weemoedig, maar hij moduleert die weemoed op een manier die hij pneumatisch noemt, naar analogie met de leer der humeuren, waar je zwarte gal en andere zware aarde-elementen verjaagt met ademruimte. De boventoon van zijn werk is militant, verwant aan het ‘teveel woorden’ van Chief Joseph: een kunstwerk ontleent zijn bestaansrecht niet aan een duiding door derden, maar aan het feit dat het door een kunstenaar is gemaakt. Het kunstwerk is soeverein

 

 

LUC TUYMANS

Ook het werk van Luc Tuymans (°1956) komt voort uit een stugge zwaarmoedigheid of spookachtige dreiging, maar hij reageert hierop door schilderijen te maken die zo mogelijk nog dreigender, harder en tegelijk ongrijpbaarder zijn dan de monsters die opdoemen uit de schaduwen naast de overgordijnen, uit de onwrikbare aanwezigheid van voorwerpen en uit de wreedheid van sommige mensen die macht over ons hebben.

In Tuymans’ oeuvre worden voorwerpen, gebouwen en machtsfiguren weg geschilderd door hun langzame verschijnen te bevriezen in een overbelicht, broos bestaan als wankel beeld. Tuymans weeft schilderijen die dit fragiele verschijnen een lichaam geven, maar het ook overstijgen door zelf voorwerp te zijn, zij het zo doorzichtig mogelijk.

Hier is weinig plaats voor humor en relativering. Het gaat om een krachtmeting, om een titanenstrijd, die moet uitwijzen op hoeveel ademruimte en vrijheid een kind recht heeft.

Boudewijn heeft geen gezicht. Zijn uniform is onbestaande. Bril en schaduw moeten een aanwezigheid oproepen. Zijn hand is krachteloos, zijn scepter valt uiteen. Hij is licht geworden en schilderij.

 

 

RONALD OPHUIS

Ronald Ophuis (°1968) probeert, op een andere manier dan Tuymans, stelling te nemen in een wereld waar onmenselijkheid en politieke wreedheid hun consistentie lijken te verliezen in een onwerkelijk spiegelpaleis van nietszeggende foto’s, krachteloze persberichten en een wereldvreemd cultuurcircus.

Zijn schilderijen opladend met eigen ervaringen en studiereizen, een rijkgeschakeerde verfhuid en een voortgaand gesprek met de kunstgeschiedenis, tracht Ophuis resistente herinneringsbeelden te maken voor slachtoffers, maar ook voor ons, met onze flauwe verbeeldingskracht en ons machteloos geheugen.

We vinden in Ophuis’ werk een omgang met een diepe ontroering over de dingen en de gebeurtenissen. In zijn recente soloshow in Amsterdam was een groot schilderij te zien dat gestalte gaf aan een theatergebeuren dat door Primo Levi wordt beschreven in Het respijt, maar ook schilderijen die tot voorwerp geworden voorstellingen waren van menselijke resten in een Iraaks massagraf, politieke gevangenen in Egypte, de nachtelijke duisternis die opdoemt uit de diepte van een koeienstal en veldbloemen die groeien op verstoorde grond of massagraven.

 

 

ROBBIN HEYKER

De schilderijen van Robbin Heyker (°1976) geven gestalte aan een vernieuwend en verfrissend minimalisme, waarin een van de meest radicale tradities in de Nederlandse beeldende kunst (die begon met de kerkinterieurs van Saenredam en een eerste hoogtepunt vond in De Stijl, de abstracte werken van Mondriaan en de beroemde, opzettelijk eenvoudig gehouden ‘zelfbouwstoel’ van Rietveld) gekoppeld wordt aan een eigentijdse blik op de verveling (de films van Harmony Korine), een levenslange preoccupatie met goochelen en vogelspotten, en een gedegen kennis van de schilderkunst (Robert Ryman, Richard Aldrich, Mark Grotjahn, Matt Connors, Stanley Whitney, Richard Tuttle, Baselitz, Blinky Palermo, Günther Förg, Toroni, Buren, Raoul De Keyser, Walter Swennen, Luc Tuymans).

Bij de keuze van een techniek, kleur of onderwerp, streeft Heyker een zo groot mogelijke ‘leesbaarheid’ na, waardoor zijn schilderijen ook kunnen berichten over het schilderen zelf. De werken in deze tentoonstelling zijn gebaseerd op de kleuren van twee vogelsoorten: de Indische scharrelaar en de Chinese spoorkoekoek. Eigenlijk kijken we naar een goocheltruc. In het derde luik van een verdwijnact wordt de vogel getoond die de goochelaar net heeft laten verdwijnen. Hier is de vogel schilderij geworden. En de oude schilderkunst nieuw.

 

 

ANNA GODZINA

Anna Godzina (°1990) maakt hoofdzakelijk kinetische werken die zich bij stilstand gedragen als minimale sculpturen en als ze in beweging zijn ritselende, tikkende of dreigende geluiden voortbrengen.

Haar werk werd in deze tentoonstelling opgenomen als antwoord op de kinetische, optische werking van Ghekieres schilderijen, maar ook op het feit dat sommige van zijn werken werden vervaardigd terwijl ze ronddraaiden.

Godzina studeerde muziek in Chisinauǎu, filosofie in Moskou en film in Boekarest. In 2016 bereikte ze een groot publiek met indringende performances en daaruit voortgevloeide, op YouTube gepubliceerde filmpjes, waarvan eentje een internationale hit werd.

In 2016 maakte ze ook haar eerste kinetische sculptuur, die meteen gekenmerkt werd door een zeldzame samenkomst van functionaliteit en poëzie, een elegante, niet repetitieve beweging en een aandacht voor geluid.

Samengebracht in een tentoonstellingsruimte, vormen haar sculpturen ruisende filmbeelden, opgeroepen door zelf ineengeknutselde, oneigenlijke projectoren. Tinkelend komt de ruimte tot leven.

 

 

FELIX DE CLERCQ

De schilderijen en sculpturen van Felix De Clercq (°1997) worden gekenmerkt door een schijnbaar stroeve en knullige factuur, waarbij in de schilderijen vooral de vereenvoudigde, sublieme weergave van weerkaatst licht opvalt.

Inhoudelijk spreken zijn taferelen van een grote tederheid en een jongensachtige zin voor avontuur en romantiek.

Als een tempel gewijd aan de kwetsbaarheid staan deze werken voor ons, als stille veroveringen ook.

Een jongen die op een zolderkamer languit op bed ligt, kijkend naar het licht dat binnenvalt door het dakraam; een roerloos echtpaar, naast elkaar op een tweezitsbank; twee jongens die zich omkleden in de kleedkamer van een gymzaal (terwijl achter hen een jongen een douche neemt); moeder en zoon in een rijdende auto met op de achtergrond een duister maïsveld; de lievelingssieraden van de moeder; een spannende walvisvangst met de overdag zonderling verlichte kajuit van de kapitein. En in al deze schilderijen een wonderlijk eenvoudige suggestie van licht en volume, waarbij het licht bijna tastbaar de vorm aanneemt van gesmeerde verf, van een gerimpeld kleurvlak.

 

 

FRAN VAN COPPENOLLE

Fran Van Coppenolle (°1998), getuimeld uit een wereld van gebricoleerde boerenhoven, voorvaderlijke verzamelingen en delicate heftrucks. Patroonheilige van de geschutskoepel, de sutuurlijn en de gezaagde, gekapte, geplooide, gelaste, geschuurde en gelijmde ademruimtes. Sculptwerkster. Schikgodin. Lucht- & lichtnavigator.

Verrassend frisse materialen worden onder spanning gezet, geklemd, gevlochten, ingesnoerd, aan elkaar geregen tot ze onvatbare, onbegrijpelijke, boeiende voorwerpen gaan vormen. Prachtige vrijgezellenmachines die ademruimte de wereld in kwakken zonder iemand om toestemming te vragen.

Ook hier zien we sculpturen die mogen bewegen (bijvoorbeeld omdat ze hangen) of die een illusie van beweging oproepen. Ook is Van Coppenolle die eerste kunstenaar die we textiel in twee richtingen zien buigen om volumes te maken. Ook op dat vlak is haar werk zeker te vergelijken met de geometrisch aandoende schilderijen van Ghekiere die optische effecten nastreven.

 

 

JORIK DZOBAVA

Jorik Dzobava (°1994), de leeuwerik van de Kaukasus, maakt schilderijen die op een minimale, snelle manier uit de natte verf worden opgetrokken en voortvloeien uit zijn fascinatie voor bepaalde figuren uit de kunstgeschiedenis (David Teniers, Anthony Van Dyck, Chardin, Corot), zijn kennismaking met literaire en filosofische werken (Victor Hugo over Shakespeare, de filosoof Francis Bacon, Faust) en zijn voorliefde voor gravures.

Zelf een voortreffelijk etser, begon hij enkele jaren geleden met het naschilderen en in kleur weergeven van gravures. Vandaag maken deze werken deel uit van stillevens, die ook eigen schilderijen kunnen bevatten. Dzobava munt uit in het vatten en neerzetten van een sfeer. Zijn werk is sensueel, bevlogen en teder. Als je zijn schilderijen ziet, weet je zeker dat de wereld eigenlijk geschapen is om uit te monden in schilderijen, Mallarmé had gelijk.

Ook straalt zijn werk zelfvertrouwen uit. Gewoon schilderijen maken is genoeg. Maar alleen wanneer die vrijheid veroverd werd door voorgangers, kunnen jonge mensen haar belichamen.

 

 

KASPER DE VOS

Leunend tegen de voorgevel van Emergent vinden we het werk Eigen klei (2019) van Kasper De Vos (°1988), een kraam waar volkseigen boetseermateriaal te koop wordt aangeboden. De Vos heeft meer mooie werken gemaakt die vertrekken van de charme van de commerce of lachen met al dan niet eetbare koopwaar. Hier verkoopt hij klei, vroeger prachtig gesculpteerde hamburgers of broodjes smos. Het heeft iets verademends hem aan het werk te zien als marktkramer in een wereld die geregeerd wordt door minabele middenstanders.

Prachtig zijn ook de stapelsculpturen waarin geboetseerde lichaamsdelen verbonden worden met readymades. Zo bestaat de hier getoonde sculptuur Water wast wat was (2017) uit gevonden stukken tramrail (die voor het nodige gewicht zorgen), een geboetseerde hand waarvan een vinger overgaat in een waterkraan, een metalen waterleiding, een paraplu en een matglazen bol die oorspronkelijk een lamp afschermde. Deze ranke verschijning bevindt zich in labiel evenwicht, als een broze, momentane overwinning op de duisternis en de verveling. De geboetseerde hand gaat een gesprek aan met het métier van Ghekiere, de lamp met diens begaan zijn met licht en duisternis, het geheel met ons eigen absurde klauwen naar richting of samenhang in de wereld.

 

 

MAX PINCKERS

De fotograaf Max Pinckers (°1988) maakt poëtisch-politieke, discursieve documentaires die omgezet worden in fotoboeken en tentoonstellingen. Hierin combineert hij documenten, gevonden beelden, interviews en andere teksten met zelfgemaakte, deels geënsceneerde en gedeeltelijk artificieel belichte foto’s die meestal worden gemaakt in de openbare ruimte met mensen die hij daar ontmoet. De bedoeling is zowel gestalte te geven aan een eigen gevoeligheid als documentaire foto’s te maken die hun onvermijdelijke subjectiviteit blootgeven door de belichting en andere zichtbare elementen.

Zijn werk is verwant met de strijdbare, geschilderde ‘beelden’ van Tuymans en de memorie

-schilderijen van Ophuis, maar ook met de niet-biografische, maar van een persoonlijke poëzie doordrongen werken van Ghekiere.

Ook willen we, door zijn foto’s op te nemen in deze tentoonstelling, wijzen op het schilderachtige gebruik van kleur en licht in zijn foto’s.

 

 

 

NIENKE BAECKELANDT

Het werk van Nienke Baeckelandt (°1989) wekt aandacht voor het onooglijke: kleurvelden die je alleen vanuit een bepaald gezichtspunt ziet, brokjes doorzichtig glas die door onze bewegingen zichtbaar of onzichtbaar worden en van kleur veranderen.

Allicht heeft ze de glasbrokjes die ze hier op het raam kleefde in nieuwe constellaties – zoals Mallarmé en Benjamin het genoemd zouden hebben – gevonden op straat. En allicht zag ze in deze korrels het licht van zon, sterren, lichtreclame of straatlantaarns weerspiegeld. Want haar blik gaat naar het voorwerp zelf, maar ook naar de werelden die erin weerkaatst worden. (Niet zoals Thales, die in een put struikelde omdat hij wandelend naar de sterren keek.) Vroeger versnipperde ze papier, en liet ze de neergedwarrelde snippers nieuwe patronen tekenen op de vloer. We begrijpen waarom ze op een dag de veelvuldige verschijningen van op de grond liggende glaskorrels opmerkte. Traag duwt ze haar manier van kijken door de wereld, af en toe nieuwe materialen ontmoetend, en ons telkens weer verbazend.

Met Ghekiere heeft ze een aandacht voor optische effecten gemeen en een pudieke terughoudenheid of schuchterheid.

 

 

 

ROBERT SOROKO

Als rietpluimen wiegen de dingen in het oeuvre van Robert Soroko (°1990): dunne vellen hout, in de greep van magere, doorbuigende, ijzeren staanders, door iele pootjes rechtgehouden bamboestokken, alles functioneel en leesbaar eenvoudig gelast.

Draaidingen zijn het ook.

Uit elkaar genomen, liggen de sculpturen als iele potloodlijnen mooi geordend naast elkaar te rusten of te mediteren. Eenmaal in elkaar geschoven, gaan ze draaien en keren, proberen ze staande te blijven, niet te kantelen of uiteen te vallen. Het is een precair overeind blijven, dat hier gestalte krijgt, als een Oosters lichaamdenker die nu nog op één been staat, maar straks hoopt te zweven. Of zweven de dingen al? En zijn alleen onze breinen en lijven zo zwaar dat we het niet kunnen zien?

Zonder het aanvankelijk te beseffen, ging de tai chi-beoefenaar Soroko gaandeweg gestalte geven aan sculpturen die zijn ervaring van de ruimte weerspiegelen en een vorm van zachte weerstand oproepen. ‘Misschien morgen?’ verzuchtte Ghekiere. En dan is ineens die morgen gekomen, en ontdekken we de rustig ademende, poëtische wereld van Soroko.

 

 

SIMON MASSCHELEIN

Simon Masschelein (°1994) maakt scharnierende beeldhouwwerken, gedacht vanuit het gewricht. Eén sculptuur is gedacht vanuit een knie, een andere vanuit de manier waarop een dijbeen in het bekken past. Eén beeldhouwwerk, bestaande uit veertig kilo zelf vervaardigde ringen van albast, wordt enigszins omhooggehouden door een opgespannen kabel die, zelf vastgeklonken aan een ijzeren bol, in een beugel geklemd zit. Een vreemd tweedelig figuurtje, op twee wankele voetjes die gestalte geven aan een bescheiden contrapposto, klapt soms voorover. Een boomstam wordt bewerkt tot spiraalzuil, vervolgens uitgehold, gehalveerd en opnieuw verbonden met een houten schakel.

Het verband tussen het oeuvre van deze kunstenaar en het werk van Ghekiere berust in de oneigentijdse, ambachtelijke benadering die op zoek gaat naar oude weerstanden, maar ook naar nieuwe sculpturale mogelijkheden, die zich vooral tonen in de manieren waarop verschillende materialen gecombineerd en geassembleerd worden.

Ook vinden we in Masscheleins werk sporen van oude spoken en een onverholen tederheid, die ons raakt.

 

 

SIMONA MIHAELA STOIA

De schilderijen van Simona Mihaela Stoia (°1982) worden gekenmerkt door een drievoudige aanwending van de verf: in de dun aangebrachte, soms atmosferische, hier en daar vrijgelaten achtergrond, in het modeleren van volumes die het beeld van lichaamsdelen, dieren of planten oproepen, en in de momen-ten waar de schilderijen abstracter en ten slotte louter verf en verfstrook worden.

Spelend met deze drie benaderingen weeft en kneedt ze schilderijen die tegelijk sensueel, mysterieus, compact, open, complex en stoutmoedig zijn. Ook hier treffen we, thematisch gesproken, duisternis en speelsheid aan, ook hier ontmoeten we een kunstenaar die zichtbaar denkt met verf en verftechnieken.

Het meest specifieke aan Stoias schilderijen is echter nog iets anders, namelijk haar vermogen schilderijen te maken die zich in volledig verschillende kleurregisters afspelen. Haar schilderijen hebben vaak een dominante kleursfeer (bijvoorbeeld smaragd, karmijn, geel of roze) die bij een nadere blik uiteenvalt in talloze harmoniërende kleuren die geen verschillende waarden zijn van dezelfde toon, maar afzonderlijk aangemaakte, autonome tonen, die ze vooraf kan ‘zien’.

 

 

VICTORIA PARVANOVA

In de schilderijen op papier en doek van Victoria Parvanova (°1993) worden transparante versies van hoge en lage cultuurwerelden op een nieuwe manier naast elkaar gelegd, af en toe voorzien van een kleurvlek. Lijntekeningen roepen de gelaatstrekken op van beroemde YouTube-influencers, fotomodellen of gefortuneerde dames die zichzelf vertolken in eindeloze realityshows. Deze beelden worden aangevuld met toonbeelden van de Franse haagsnoeikunst, gestreepte luifels van New Yorkse hotels of andere architecturale elementen die een neo-neo-classicistisch schoonheidsgevoel oproepen. Tegelijk herkennen we de kleurboeken waarin het kind de avonturen van Barbie zelf mag inkleuren. Niets is wat het lijkt. Het is een feest van de oppervlakte, die haar diepte toont. En zo dient Parvanova op oneerbiedige wijze het Platoonse ideaal van de schoonheid die samenvalt met het ware en het goede.

De hier tentoongestelde werken zijn portretten van beroemde dames, waarin de ogenschijnlijke lijntekening eigenlijk geschilderd is en het effect van kleurstiften schilderend wordt geïmiteerd. Net als bij Ghekiere treffen we hier werken aan die zichtbaar nadenken over het schilderen zelf, maar ook reflecteren over dames die zich tonen en verhullen.

 

 

ZHANG XIAO XIA

Zhang Xiao Xia (°1957), die twaalf jaar in Brussel heeft gewoond om onze kunst te bestuderen, combineert in zijn werk traditionele Chinese elementen zoals een beperkt kleurgebruik en een atmosferische weergave van de ruimte met de verworvenheden van de abstract expressionisten en van schilders als Walter Swennen, die met deze verworvenheden op een minder dogmatische manier aan de slag gaan.

In een van de tentoongestelde schilderijen treffen we een met drie streken van een kwast aangebrachte paars-witte dégradé als achtergrond aan. Vooraan dwarrelen twee theeblaadjes voorbij, die de gestalte aannemen van dik aangebrachte, stroperige, felgroene blobs. Al deze elementen doen denken aan het kleurgebruik en de dégradés van Joris Ghekiere. In het schilderij met het groene riet, treffen we ook de typisch Chinese illusie van beweging aan die eveneens herinnert aan Ghekiere.

Vandaag hoorde ik ook dat Zhang gisteren een schilderij heeft gepost in Nanjin. In dit schilderij vinden we nieuwe kleuren en texturen, maar hetzelfde principe: een atmosferische achtergrond (roze) en een asymmetrisch element op de voorgrond (felgroen). Zowel dit principe als de kleurkeuze doen denken aan Ghekiere.