Hans Theys — What's New?
Bedrich Eisenhoet - 2026 - Boeken in oude schilderijen [NL, essay], 2026
___________________
Bedrich Eisenhoet,
Boeken in oude schilderijen
Gesprek met Karal de Oude
Bedrich: Veel vragen heb ik u al gesteld, meester. En zo beperk ik uw woorden. Daarom nodig ik u vandaag uit uzelf te bevragen, of antwoorden te geven op ongestelde vragen.
Karal: Een goed plan, mijn vriend. Want vragen knijpen onze gedachten dicht, dat weet iedereen. En omdat we al zo vaak met elkaar gesproken hebben, zie ik welke onderwerpen onaangeroerd zijn, of een tweede bezoek waard.
Je hebt me nooit iets gevraagd, bijvoorbeeld, over het vreemde belang dat vroeger gehecht werd aan het boek.
Bedrich: Wat bedoelt u?
Karal: Het is opvallend, als we kijken naar afbeeldingen van oude schilderijen, hoe vaak daarin voorstellingen van boeken voorkomen. Het is waar dat we ook voorstellingen van muziekinstrumenten vinden. We begrijpen dat schilders berichtten over de andere kunsten. En we begrijpen zelfs dat schilders gemankeerde schrijvers konden zijn, in hun eigen gedachten. Zoals schrijvers vaak gemankeerde musici zijn en musici gemankeerde schilders. Dat iedereen droomt over een ander leven, bedoel ik, over andere talenten, over een ander ik. Wie talent heeft voor woorden, droomt ervan te kunnen werken met kleur. Wie talent heeft voor toon en ritme, droomt ervan melodieën om te zetten in woorden. Wie licht en diepte kan weergeven met kleur of lijn, betreurt geen melodieën te kunnen smeden.
Toch lijkt er meer aan de hand geweest te zijn. Het boek moet een uitzonderlijk statuut gehad hebben in sommige oude samenlevingen. Vreemd, zou je denken, vooral als je kijkt naar de boeken van de Grote Vondst. Die lijken zo oppervlakkig, nutteloos, futloos en levenloos, dat het simpelweg onbegrijpelijk is dat ze ooit enige fascinatie konden oproepen. Om die reden, echter, boog een groep mensen zich over de vraag wat voor soort boek wél zinvol, diep of nuttig had kunnen zijn.
De speculatieve geschiedvorsers, want zo noemden ze zich, probeerden eerst boeken te bedenken en nadien zelfs te schrijven. Maar het bleek bijvoorbeeld onmogelijk een ambacht te vatten in een boek. Hoe precies je ook schreef, de echte werkervaring bleef noodzakelijk om de vreugde van het vak en de liefde voor de dingen over te brengen. Je kon uitleggen hoe je een tafelpoot draait. Maar uiteindelijk blijft er de dans met het eigenlijke stuk hout, met de vier stukken hout waar je vier min of meer gelijke poten uit moet halen, en met je voorkeur voor bepaalde vormen, verhoudingen en ritmes die je uit het hout tovert. Dat zijn particuliere, persoonlijke dingen: de nerven van het hout, de hardheid, de wieren, de scherpte en de vorm van de beitel, het snijblad en het handvat, en de vormen die je aftast in je dromen.
Bedrich: Er zijn andere boeken denkbaar, dan beschrijvingen van een ambacht.
Karal: Denkbaar, maar niet maakbaar. Er werden veel pogingen ondernomen. Boeken met korte zinnetjes die natuurmomenten opriepen, boeken die de eenzaamheid naderbij brachten, boeken over boeken, boeken met antwoorden op niet gestelde vragen (lacht), boeken over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden, boeken over mensen die nooit geleefd hebben, boeken voor kinderen, boeken voor ouderen, boeken voor vrouwen, boeken voor mannen…
Bedrich: Misschien was er meer tijd nodig? Meer schrijvers? Misschien andere schrijvers? Kan een geleerde een kinderboek schrijven? Wat weet een historicus over dingen die niet gebeurd zijn?
Karal: Je hebt gelijk, natuurlijk. Geleerden die schrijven, schilderen en musiceren… Misschien in een samenleving die duizend jaar zou bestaan, waarin stap voor stap vorderingen gemaakt worden…
Bedrich (lacht): En waarin de leider zowel dichter, schilder, musicus als wetenschapper zou zijn!
Karal: Niets belet ons te dromen.
Bedrich: Misschien zoeken we het te ver. Misschien is de waarheid prozaïscher en waren hun heilige geschriften een soort van boekhouding, een soort van opsommingen van regels, wetten, bezittingen en hoeveelheden?
Karal: Dat kan. Al kunnen we ons moeilijk voorstellen waarom schilders geboeid waren door zulke geschriften, waarom ze zo vaak afgebeeld werden.
Bedrich: Misschien waren ze niet vrij in hun keuze?
Karal: Ook dat is mogelijk.
Bedrich: Wat is uw standpunt?
Karal: Ik heb er nooit naar gestreefd een afgeronde, gesloten overtuiging te hebben, maar net om die reden kwam er op een dag een beeld in me op van een boek dat alle boeken zou kunnen vervangen en zelfs de grondslag van een samenleving zou kunnen worden.
Bedrich: Vertel! Ik ben benieuwd.
Karal: Als we ervan uitgaan dat minstens één boek van zeer grote betekenis moet zijn geweest, terwijl het maken van een overtuigend boek buiten ons bereik ligt, dacht ik, dan moet het Grote Boek een Onmogelijk Boek geweest zijn.
Bedrich: Dat begrijp ik niet.
Karal: We weten dat het aanhangen van één waarheid altijd fnuikend is. En we weten dat we niets volledig kunnen vatten in een geschrift.
Bedrich: Ja.
Karal: Dat sluit niet uit dat er een boek heeft bestaan waarin deze onvatbaarheid tot het uiterste gedreven was. Een soort van onmogelijk boek. Een boek dat zich onttrok aan elke definitieve lezing. Een boek dat blijvend vragen opriep. En misschien ook dromen. Een ongrijpbaar boek, eigenlijk. Ongrijpbaar, maar net daarom onweerstaanbaar.
Bedrich: Een boek dat tegenstellingen bevatte?
Karal: Tegenstellingen, dromen, verzinsels, feiten, onmogelijke vergelijkingen, parabels, gedichten, liederen, boekhoudkundige verslagen, stambomen, volkswijsheden, historische reconstructies, contradictorische leefregels, platitudes, grappen, raadselen en geheime spreuken: alles gemengd, vermengd, vermalen, gemalen, geknipt, verknipt of anders harmonieus vervlochten tot een onweerstaanbare samenzang, een boek als een ruisend woud…
Bedrich: Ik zie wat u bedoelt.
Karal: Zulk onverklaarbaar boek zou een onuitputtelijke en daardoor blijvende bron van verwondering kunnen zijn, denk ik, iets wat je kan blijven lezen en herlezen en wat telkens weer gesprekken mogelijk zou maken.
Bedrich: Een boek bestaande uit tegenstrijdige beelden, verslagen, verhalen, redeneringen… Een eindeloze bron van beraadslagingen, bevragingen, verbazing… Een soort machine om domheid te voorkomen…
Karal: In de zevende eeuw voorafgaand aan de huidige tijdrekening, bijna drieduizend jaar geleden, richtte de Assyrische koning Assourbanipal een bibliotheek op die duizenden kleitabletten bevatte, beschreven in spijkerschrift. Een paar duizend van die tabletten bevatten orakelspreuken. ‘Als een zwangere moeder venkelscheuten eet, is de baby leverziek.’ Of: ‘Komt de zandstorm uit het zuiden, is de kersenboom vroeg bloeiend.’ Geleerden door de eeuwen heen hebben zich het hoofd gebroken over die vreemde, absolute gelijkschakeling. De Assyriërs kunnen toch niet geloofd hebben dat elke zandstorm een vroege lente meebracht? Waarom gebruikten ze het woord ‘is’, en geen woord dat een waarschijnlijkheid uitdrukte zoals ‘is waarschijnlijk’ of ‘is mogelijk’?
Bedrich: ‘Komt de zandstorm uit het zuiden, zou de kersenboom vroeg kunnen bloeien?’
Karal: Zoiets. Een voorwaardelijke wijs.
Bedrich: Ik zie niet waar u naartoe wilt.
Karal: Eerst wil ik opmerken dat orakelspreuken die twijfel bevatten onbruikbaar zijn. Ze werden verwoord door mensen die leefden in een tijd waarin vrijwel alles onvoorspelbaar was: aardbevingen, overstromingen, zwangerschappen, oorlogen, blindheid, droogte, vrieskou. Ze hadden een illusie van zekerheid nodig. Het zou wel een mooi lied kunnen zijn: een opsomming van alles wat mogelijk is, maar niet in een wereld waarin elk moment om het even wat kan gebeuren.
Maar de verklaring ligt voor de hand: de gelijkschakeling (het woord ‘is’) werd niet verzacht, omdat ze geen harde ‘is’ kenden. Er bestond gewoon geen gelijkschakeling. Geen twee dingen waren volkomen gelijk. Alles was uniek. Alles had een specifiek bestaan. Een eigen plek. Een eigen manier van zijn. Elk individueel dier had een eigen karakter. Elke individuele boom had een andere vorm. Alle vormen waren als wolken verschillend. Er bestonden geen Goden die alleen maar zichzelf waren. Ze waren ook arenden, stieren, zwanen, hamers, beitels, bergen, bomen, bloemen, bronnen, vijvers, meren of rivieren. Goden bedrogen elkaar, ze scheidden, ze hertrouwden, ze verdwenen en verschenen in een andere gedaante. Voorafgaand aan de dwingelandij van De Ene God, bestond er nog geen identiteitsprincipe. A was nooit gelijk aan A. Er bestond nog geen muntgeld, dat alles gelijkschakelde. Zonder een abstracte God en een abstracte munteenheid, was gelijkheid ondenkbaar.
Bedrich: Ik zie wat u bedoelt.
Karal: Later is dit veranderd. Op twintig eeuwen tijd is de wereld veranderd in een afgetrokken schimmenrijk waarin alle bomen gewoon maar ‘boom’ waren en alle koeien gewoon maar ‘koe’. Een nachtmerrie.
Bedrich: Een wereld waarin alles gelijkgeschakeld was? Dat lijkt me ondenkbaar.
Karal: Het kan niet anders of de mensheid is door zo’n grijze hel gegaan.
Bedrich: Het blijft een veronderstelling, toch?
Karal: Natuurlijk! Maar dan een veronderstelling die me achtervolgt als een mogelijke dreiging, een vrees dat de geschiedenis zich zal herhalen, dat we opnieuw in de afgoderij van een dunne waarheid zullen vervallen.
Bedrich: Kan zo’n wereld werkelijk bestaan? Een wereld waarin alle dingen gelijkgeschakeld worden, als cijfers?
Karal: Ooit las ik een boek over de Chinese samenleving. Die heeft een paar duizend jaar bestaan in het Oosten, vele dagreizen van hier. De auteur merkt daarin op dat die cultuur een specifieke eigenschap heeft, die vijf eeuwen geleden, in de 21ste eeuw, nog bestond.
Toen de eerste keizer met behulp van andere krijgsheren de absolute heerschappij verwierf, schrijft de auteur, bedacht die een middel om het keizerrijk stabiel te houden. Hij verhief alle krijgsheren tot familieleden: mensen die op de piramide van de samenleving net iets lager stonden dan hijzelf, maar allemaal verwant waren. Alle verwanten, dienaren en ten slotte alle Chinezen kreeg zo een specifieke plek toegewezen, die in jaarlijkse rituelen werd bevestigd. Kinderen kregen een rangorde. Je had een eerste neef, een tweede neef enzovoort. Iedereen kende zijn plek. Niemand was gelijk. Kwamen er omwentelingen, nieuwe dynastieën, dan namen de nieuwe regeerders dit oude systeem over. Om die reden, schreef de auteur, bleef het Chinese rijk heel stabiel. Maar daarom hadden de Chinezen ook geen concept voor ‘gelijkheid’. Het gelijkheidsideaal van de Franse revolutie was hun volledig vreemd. Ze kenden ook geen abstracte ‘God’. Alle goden waren verbonden met een ding of een plek: de god van de rijst, de god van de azijnkelder, de god van de trap, de god van het voorportaal.
Bedrich: Hadden ze orakels geschreven, dan was een benoemen van de waarschijnlijkheid niet nodig, omdat de hele wereld gedifferentieerd was…
Karal: Dat vermoeden we. Misschien schreven ze daarom ook geen orakels, alleen commentaren.
Bedrich: Commentaren?
Karal: De oudste Chinese teksten bevatten geen orakels, maar besluitvormingen, gebaseerd op barsten.
Bedrich: Barsten?
Karal: De orakels werden mondeling uitgesproken. Vaak ging het om spreuken over de keizer. Zoiets als: ‘De keizer zal voorspoedig regeren.’ Of: ‘Oorlog met de volkeren in het Oosten brengen onheil.’ Daarna werd het buikschild van een schildpad of het schouderblad van een rund verhit tot er een barst verscheen. De vorm van de barst gold als commentaar op het orakel. Deze commentaar werd dan in het schild of het bot gegraveerd.
Bedrich: Het buikschild van een schildpad?
Karal: De auteur die dit gebruik beschrijft, schrijft de keuze van deze drager toe aan het gladde oppervlak van het schild, ook al geeft ze twee regels verder toe dat het schouderblad van een rund niet vlak is. Maar schildpadden hadden in China de betekenis van het eeuwige leven: het hoogste dat je een keizer kon toewensen. We begrijpen waarom: schildpadden kunnen heel lang leven, veel langer dan mensen. Ze kunnen er al zijn wanneer je geboren wordt en rustig verder leven wanneer je er niet meer bent. Net als de zon. Net als bomen. En lijken ze niet op een opkomende of ondergaande zon? Als een wereld op zich? Mij doen ze denken aan mestkevers, die heilig bevonden werden in Egypte. Die rollen een eigen wereld, waaruit ze opnieuw geboren worden.
Bedrich: En het rund?
Karal: De letter ‘A’ is gebaseerd op de kop van een rund. Een rund is het grootste dier dat we kunnen temmen en opeten. En het geeft melk. Het is levengevend. Het is de maan en de zon gelijk… (Lacht.)
Bedrich: Kan je iets meer vertellen over het geschrift van de Chinezen? Is schrijven mogelijk in een wereld waarin niets gelijk is? Vergt een schriftuur geen onveranderlijke afspraak, bedoel ik?
Karal (lacht): Je blijft me verbazen… En je hebt gelijk. Er was iets moois aan de hand met dit schrift, net als met het schrift van de Babyloniërs en de Egyptenaren. De eerste geschreven tekens waren gestileerde uitbeeldingen van een voorwerp, dier of plant. Veel woorden bestonden uit één lettergreep, wat de geboorte van dit systeem vergemakkelijkte. Al tijdens het bronstijdperk stond het teken voor olifant *dzjangs ook voor de betekenis ‘beeld’, dat een soortgelijke klank had: *hsiang. Anderzijds kon het teken voor het woord ‘mond’ (k’ou) ook gebruikt worden voor het werkwoord ‘spreken’, dat werd uitgesproken als ‘ming’. Een precies systeem, waarbij elk teken aan de rechterzijde voorzien werd van een bijkomend teken dat duidelijk maakte of je het moest opvatten als klank of als betekenis. Het teken voor oceaan, bijvoorbeeld, bestond links uit het teken voor water en rechts uit het teken voor schaap, omdat het woord schaap dezelfde klank had als het woord oceaan. Het teken betekende dus zoiets als: water uitgesproken als schaap.
Bedrich: Inderdaad een precies systeem.
Karal: Een precies systeem, dat ontelbare dubbelzinnigheden mogelijk maakt. Eenzelfde klank kon in het Chinees vijf verschillende betekenissen hebben, waardoor woordspelingen en dubbelzinnigheden zich onophoudelijk aandienden. En vermoedelijk benut werden. Hetzelfde gold voor de Babyloniërs en de Egyptenaren, denk ik, die hun schriften tweeduizend jaar eerder uitgevonden hadden.
Bedrich: Ze vonden een schrift uit dat dubbelzinnigheid mogelijk maakte, alsof die gewenst was?
Karal: Bij het ontstaan van de hiërogliefen, gingen de schrifttekens altijd gepaard met soortgelijke ornamenten. Alle tekens van het schrift van de Maya’s zagen eruit als gestileerde gezichten, waardoor het lang duurde voor we ontdekten dat het leestekens waren.
Bedrich: De Egyptenaren vierden de meerduidigheid?
Karal: De eerste geschriften bezongen de farao, in een eindeloze viering van zijn uitzonderlijke staat. Er heerste een cultus van de uniciteit, in een wereld met veel goden. De vader van Toetanchamon, Akhenaten, probeerde tijdens zijn bewind, dat achttien jaar duurde, een soort van monotheïsme te installeren. Na zijn dood werd hij volledig uit de geschiedenis gewist. Terecht. Die censuur heeft de geboorte van de monotheïstische religies niet tegengehouden, helaas, maar wel vertraagd (lacht).
Bedrich: Waarom lacht u?
Karal: Ik herinner me een grappig boekje over de eerste piramideteksten. Een Canadees geleerde had daarin gelezen dat de mond van een farao was als de mond van kalf van één dag oud. ‘Dat betekent dat hij er onschuldig uitzag,’ schrijft hij. (Schaterlacht.) De mond van een kalf!
Bedrich: Een zuigende mond.
Karal (lacht): De meest sensuele mond die er bestaat. En voor de Egyptenaren stond de koe voor de aarde, natuurlijk, de vruchtbaarheid, het leven. Niks onschuldigs, als je het mij vraagt.
Bedrich: Vreemd dat dit hem is ontgaan.
Karal: Tenzij hij nooit een kalf gezien heeft, nooit zijn vingers in de mond van een kalf heeft gestoken.
Bedrich: Dat lijkt me heel onaannemelijk.
Karal: Het kan niet anders. De man moet in een heel kale wereld geleefd hebben. Hij vergiste zich trouwens constant.
Bedrich: Wat bedoelt u?
Karal: ‘Als de farao sterft,’ vertaalt hij, ‘dan verdwijnt hij in een hol als de jakhals.’ Dat klopt, natuurlijk, want we worden opgenomen in de nacht en we verdwijnen in de aarde. Maar dan schrijft hij: ‘En hij stijgt naar de zon met de klappende vleugels van een vlieger, als een wolk, als een sprinkhaan die de zon verduistert.’
Bedrich: Dat moet een heel grote sprinkhaan zijn.
Karal (lacht): En vliegers hebben geen klappende vleugels… Eigenlijk moet er zoiets hebben gestaan: ‘En de farao ging onder in het hol van de nachtelijke aarde als de jakhals, en hij steeg naar de zon als een bewegende wolk, als een vlucht sprinkhanen die de zon verduisterde en ruiste en zoemde en daverde als het snelle trillen van een vlieger in de wind.’
Bedrich: Een oorverdovende, alles verduisterende storm.
Karal: Je opmerking over een precies taalsysteem dat dubbelzinnigheid en meervoudigheid mogelijk maakt, doet me denken aan de Markies van Vauban, een militair ingenieur die van Lodewijk XIV de opdracht kreeg de grenzen van Frankrijk te beveiligen. Hij accepteerde, onder voorwaarde dat hij, heel uitzonderlijk, rechtstreeks met de koning mocht corresponderen. Hij wilde niet vertraagd worden door de pennenlikkers van het hof. Zijn eerste beslissing was zoveel mogelijk natuurlijke grenzen te gebruiken: zeeën, bergketens en rivieren. Daarna zorgde hij voor de bouw of de versterking van een honderdtal vestingen. Hij ging die allemaal bezoeken om de specifieke omstandigheden te bestuderen. Welke natuurlijke voordelen waren er voorhanden? Hoe werkten de lokale ambachtslieden? Welke bouwtechniek gebruikten ze, welke steen, welke specie? Elke keer werkte hij ad hoc: improviserend. De enige veralgelmening die hij zichzelf toestond, was de uniformisering van de baksteen, omdat dit de berekeningen vereenvoudigde. Alle bakstenen kregen de Rijselse maat.
Bedrich: Zoals het Chinese schrijfsysteem een spelen met taal mogelijk maakte.
Karal (lacht): Precies! Aan het eind van zijn leven werd hem gevraagd of hij een theoretische handleiding voor stedenbouwers wilde schrijven. Hij bedankte voor de eer (lacht). Toch één onbruikbaar boek dat ons bespaard gebleven is.
Bedrich: Waar hebt u al deze kennis vandaan?
Karal: Ooit kwam hier een reiziger voorbij, Melkiades geheten. En in het pakzadel van zijn ezeltje droeg hij boeken mee. In ruil voor maaltijden en onderdak mochten we die doornemen. Hij is drie maanden gebleven, een hele zomer, en trok toen verder naar het zuiden. We hebben hem nooit meer gezien.
Bedrich: En die boeken spraken over oude rijken, Mesopotamië, China, Egypte, de Maya’s?
Karal: Onder andere. Er was ook een zelfgeschreven levensbeschrijving van een musicus.
Bedrich: Een musicus?
Karal: Een man die beweerde een nieuw soort muziek uitgevonden te hebben. Hij heette Philip Glass. Ik vond het bijzonder een boek te kunnen lezen over muziek die ik niet kon horen, die we ons niet meer kunnen voorstellen. Er was een westerse muziek, schreef hij, die bestond uit een balans tussen harmonie en melodie. En er was een oosterse muziek die bestond uit cyclische ritmes die gebruikt werden als basis voor geïmproviseerde melodieën. En hij had deze drie elementen voor het eerst met elkaar gecombineerd: harmonie, melodie en cyclische ritmes, ze alle drie op hetzelfde niveau plaatsend, nevengeschikt. Zo had hij de muziek vernieuwd, schreef hij. Het zette mij aan het dromen over wat muziek allemaal kan zijn. Maar de beste passage was toch die over het aansluiten van een toilet.
Bedrich: Een toilet als muziekinstrument?
Karal (lacht): Neen, een echt toilet. Want deze musicus had tot zijn veertigste verschillende ambachten beoefend: metaalarbeider, verhuizer, loodgieter, helper van een beeldhouwer, bestuurder van een voertuig en veel andere bezigheden waarvan ik de juiste aard niet kon inschatten. En als hij kunst maakte, dan deed hij dat in samenwerking met anderen. Zijn muziek is geboren uit de geest van het theater: concrete samenwerking op een welbepaalde plek. Hij leerde instrumenten bespelen om vertrouwd te raken met de vingerzetting, hij werkte samen met musici uit andere landen, hij dacht zijn werk vanuit bepaalde noden, bijvoorbeeld de omstandigheden waarin het uitgevoerd zou worden. Alles ontstond vanuit het ambacht. En ergens halverwege het boek, zonder dat hij er erg in schijnt te hebben, vertelt hij hoe je een toilet moet aansluiten. De afvoer was gemaakt van gietijzer, zegt hij, met een verbreding aan het uiteinde. Daarin schoof je de afvoer van het toilet. De kier vulde je met een touw van asbest, bovenaan een opening latend waar je gesmolten lood in goot. Dan smeerde je de buitenzijde van het touw in met gesmolten lood, dat je met behulp van een bruine papieren zak glad streek. In die zak had je middagmaal gezeten, dat je meteen bij aankomst opat, zodat je de zak kon gebruiken.
Bedrich: Een vreemd verhaal.
Karal: Heerlijk.
Montagne de Miel, lente 2526

