ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS
Koen Deprez - 2026 - De nacht waarin alle koeien grijs zijn [NL, essay], 2026
___________________
Hans Theys
De nacht waarin alle koeien grijs zijn
Bijdrage voor een ongeboren Liber Amicorum ter ere van Koen Deprez
Vanochtend bereikte me het verzoek niets te schrijven voor een vriendenboek over Koen Deprez dat er nooit zal komen. Ik zat op zolder te klooien met een nieuwe verwarmingsketel, die een vreemd lekkage-probleem heeft. Nu zit ik, met zwarte handen, te wachten op enkele herinneringen. Ik hoop dat ze zich in de juiste volgorde aandienen en ook uw bestaan zullen verlichten of opluisteren.
Ik ontmoette Deprez voor het eerst exact twintig jaar geleden in de tuin van een klein literair museum, opgericht in de laatste woning van de grote schrijver Herman Teirlinck, ontworpen door Henry van de Velde en geschonken door een verzamelaar, die Teirlinck zelf de plek had laten kiezen: een hoogte die uitzag over de vallei waar Bruegel geschilderd heeft.
Deprez was indrukwekkend, strak in mooie kleren, atletisch, elastisch op de voeten, alert, misschien enigszins gespannen door een hard werkritme, netjes geschoren met rode wangen. Hij stond vlak voor me, dicht bij me, als een bokser, gejaagd sprekend, indringend, precies, zakelijk, maar ook open. Of ik een tekst van hem wilde nalezen. Dat wilde ik.
In de daaropvolgende weken kocht hij drie exemplaren van al mijn boeken en maakten we samen twee teksten. Later leerde ik hem steeds beter kennen. Hij was iemand die zich traag opende. Hij liet weinig mensen binnen in zijn woning en vertelde weinig over zichzelf. Gaandeweg, echter, leerde ik meer over hem door de omgang met zijn werken. Die spraken voor zich: Woning voor niemand (1988), met alleen water en elektriciteit, niet gebouwd om in te wonen, maar gedacht als een refuge waar je kon niksen, denken, lezen, schrijven, tekenen of maken. Of zijn Driewieler voor tweelingen (1982), ontworpen voor zijn zusjes om het ouderlijk huis te kunnen ontvluchten, met die omstandigheid dat de twee helften van het gespiegelde voertuigje in tegenovergestelde richtingen reden, waardoor soelaas buiten bereik lag.
De wereld van Deprez is er een van omarmde catastrofes, gezochte tegenspraken, conflicterende speelterreinen, door elkaar geduwde werelden, hindernissen, verschijningen, gebeurtenissen. Je voelt dat hij een man is die het oorspronkelijke conflict niet heeft kunnen oplossen, maar bewust bestendigt in zijn leven en werk. Een tour de force, een virtuoze overlevingskunst, een onafgebroken uitgelokt oorlogsgebied waarin hij bewijst tegen alle weerwerk bestand te zijn.
Zijn creaties zijn verbluffend, geboren uit botsingen, moeizaam bevochten en ambachtelijk vervaardigd, fraai, subtiel, onvoorspelbaar, schijnbaar slingerend groeiend, gekarteld, uitgesneden, gestanst, gehamerd, geprint, voor altijd bevroren, vastgezet, als momenten van bloei voor altijd versteven en bereikbaar in een filmlus, zoals Tarkovsky het zich droomde, incongruent zoals de wereld zelf als je haar niet onderwerpt aan classificaties en categorieën die haar weelde aan ons gezicht onttrekken, grillige contouren, fiorituren met een sublieme onderbouw en naklank, galmende artefacten, lichtpunten met zware schaduwen, getemde geestesverschijningen, gestileerde sporen van een gestreden strijd, overschouwd door de keizer die, gezeten op zijn troon, op een heuvel, niet geweken is tijdens de veldslag, ook niet toen de vijand vlakbij was en bijna in zijn gezicht asemde, wat de kracht, de strijdlust en de bereidheid in zijn lijfwachten verduizendvoudigde, zodat ze, samengedrukt en bijna verpletterd, niet weken maar terugvochten en bleven terugvechten en standhielden tot de aanrollende golven van belagers minder hevig werden en ten slotte wegebden.
Zonen van gebroken vaders kunnen makkelijk zelf teloorgaan in verstrooide slagorde, doelloze rusteloosheid, een eeuwige vlucht, of alle troepen samentrekken, alles overzien, nooit slapen, eeuwig waken en in opperste alertheid vluchtplannen verzinnen, bolwerken bouwen, schiettuig prepareren en voorraden aanleggen, ze kunnen niet anders als ze niet willen sneven, traag vergaan, uiteen brokkelen of in pijn wegrotten en hun moeder onbeschermd achterlaten, wat buiten de kwestie is.
Deprez woonde in een half afgewerkt, zelf gebouwd huis dat als een bunker tegen de flank van een opgehoogde straat aangebouwd was, waardoor het nauwelijks boven het maaiveld uitstak, net als beroemde nederzettingen zoals Stonehenge zich net onder de kim bevinden om niet van ver waargenomen te kunnen worden. Als bijkomende strategische ingreep verschafte een koepel in het dak toegang tot een uitvouwbare, hydraulische schaarlift die verkenning van de omgeving mogelijk maakte. Dezelfde koepel zorgde voor de verlichting van de binnenruimte die verder slechts schaars licht ontving via horizontale schietgaten die zich op heuphoogte bevonden, zodat je er niet door kon kijken als je op een stoel zat te tekenen, te schrijven of te dromen, de ideale hoogte, vermoed ik, om geknield je wapen te richten.
Eén zijde van de woonruimte werd afgesloten door een oprolbare, metalen garagepoort die uitgaf op een groot terras, wegkijkend van de straat. Dit terras werd aan de zijkanten begrensd door half afgebouwde gangen. Tijdens een hete zomer trof ik Deprez daar metselend aan, beide gangen verlengend rond het terras. Zijn werkkracht was indrukwekkend, onstuitbaar. Zijn lichaam, getraind door dagelijks lopen, was in topvorm. Zijn metselwerk was volmaakt. Terwijl hij doorwerkte, metselde, bakstenen doorsleep en mortel aanmaakte, spraken we over zijn nieuw visioen voor deze burcht, waarin twee slaapkamers voor zijn dochters waren opgenomen, maar ook nissen voor pas aangeschafte vijftiende-eeuwse schilderijen.
Jaren eerder had ik met hem Het Denkbare Huis bezocht, waarvoor hij, op de bovenste verdieping van een moderne flatgebouw, fragmenten van een roman door een sigarendoos had geduwd met aan één zijde een lange gang, die via onzichtbare deuren, zoals in een hotel, toegang bood tot een snoer van kamers die allemaal in elkaar overliepen, elke kamer anders opgevat, met de mooiste materialen, het fijnste vakwerk, ingelegd hout, messing, fluweel, marmer… Terwijl ik een van de wonderlijke kamers in me opnam, werd ik vanuit een andere kamer geobserveerd door de opdrachtgever, een visionaire miljardair die tijdens het creëren van deze droomwereld langzaam blind geworden is, als in een gotische roman of een verhaal van Edgar Allan Poe.
Een andere keer ontmoette ik Deprez nadat hij net een houten huisje ongeveer op heuphoogte horizontaal volledig doormidden had gezaagd en twintig centimeter opgekrikt om het te voorzien van een doorlopend horizontaal raam.
Ooit gingen we eten in een sterrenrestaurant dat hij had ontworpen, denkend vanuit een essay over bloederige rundvlees van Roland Barthes. In de vestibule konden we wachten op stoelen met gecapitonneerde paarse zitjes. De houten vloer boog aan één zijde opwaarts en eindigde in de bloemige randvormen van een kanten servet, alsof we zelf opgediend werden. Eenmaal in de eetzaal hing boven onze hoofden een uitpuilende, paarsfluwelen, in grote ruiten gecapitonneerde vleeswond. In het midden van het restaurant stond een marmeren offerblok waar de vrouw des huizes het vlees aansneed. We kregen een luchtbel met kaviaarsmaak en aan het eind een onwereldse dame blanche. Iets deed ook denken aan Bataille, de keizer van de transgressie, opgegroeid naast een perverse vader.
We werden volwassen in de jaren tachtig, onmiskenbaar de meest duistere periode van de Belgische geschiedenis, met eindeloze, contraproductieve besparingen, een culturele kater van de mislukte jaren zestig en zeventig en de geboorte van de breindode, gevoelloze cultuur van de manager en de bijbehorende, levensvijandige drogredenen rond doeltreffendheid en veiligheid. Wie geen bankbediende wilde worden, of stofzuigerverkoper, en niet wilde opgeslokt worden door de groeiende nacht waarin alle koeien grijs zijn, de nacht die vandaag vrijwel de hele wereld heeft overgenomen in een wettelijk geregelde sleur en namaak-functionaliteit, wie geen bediende wilde zijn in een wereld van levende doden, kon zichzelf van kant maken of zichzelf heruitvinden, los van de mal. Want als je toch al dood bent, en de wereld is toch al naar de knoppen, ben je vrij.
Autoritten met zijn moeder hadden hem naar veilinghuizen gebracht en laten kennismaken met het bevreemdende, organisch ogende weefsel van de stad, doorsneden met bevoorradings- en vluchtwegen. Zijn ervaring in het leger leerden hem dat je beter onder de kim bleef als je niet opgemerkt wilde worden en dat tanks vooral geschikt zijn om je doel te bereiken via een onvoorspelbaar traject. Hij leerde er ook hoe je je kan oriënteren als je je op een blind gemaakte plek op een kaart bevindt. Aanvankelijk alsmaar rechtdoor, vermoed ik, vooruit vluchtend, zoals het luidt aan het eind van Ferdydurke, en dan improviserend ageren, wijken, toeslaan, bouwen, slopen, verhalen verzinnend en tekenend in een onophoudelijk voortgaand beeldend en handelend denken, spelregels bedenkend, alles omkerend, dromend, handelend, handelend, handelend.
Ooit zag ik hem lesgeven: hartstochtelijk, gedreven, bezield, haarscherp, provocerend, spelend met biografieën, beelden, boeken, architectuur, in het kielzog van veelzijdige mannen als Curzio Malaparte, auteur en filmmaker, Mario Praz, verzamelaar en auteur, of Victor Sjklovski, wapendeskundige en mecanicien, oorlogsveteraan, schrijver en bedenker van de priom of kunstgreep. Als hoofd van een departement verving Deprez ooit het vak kunstgeschiedenis door duursport, en al zijn studenten leerden autonoom grote afstanden overbruggen. Hij bracht zijn studenten naar IJsland, waar ze omringd door drijvende ijsbergen aan den lijve ondervonden wat radicaal en perspectivisch denken kan zijn. Later leerden hij hun dat schrijven een motor voor visuele ingrepen kan zijn, even effectief als tekenen. Hij leerde hun hoe ze dromend konden bestaan, hoe ze zichzelf bij de haren uit het moeras konden trekken door een nieuw verhaal te verzinnen.
We dronken altijd koffie. Eerst gewone opgegoten koffie, zoals bij onze grootmoeders, later uitgekiende druppelkoffie uit een moderne machine. Hij deed de vaat zelf, met bijna kokend water dat zijn handen liet blozen. Of hij at weet ik niet. Mannen delen niet alles. Ik denk dat hij boterhammen at met zelfgemaakte soep. Wat anders? In ons woonden onze grootmoeders, denk ik, over wie we nooit spraken. Wel vertelde hij dat hij in zijn geboortedorp ooit een oude vrouw had zien halthouden boven een rioolrooster om ongegeneerd zich te ontlasten van overtollig water, een moderne houding die getuigde van een diplomatische aanpassing aan de sanitaire vernieuwingen. Hoe blijven we onszelf in een steeds dommer wordende wereld? En hoe gaan we tegen die achterlijke, achteruitboerende, buitenmatig gereglementeerde, de mensen verslavende wereld in, met een dwarse doening? Dat blijft voor altijd de vraag. Weinigen stellen die zo precies, en handelen zo scherp, als Koen Deprez.
Montagne de Miel, 5 februari 2026

