Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (M HKA / Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

© Hans Theys
Bedrich Eisenhoet - 2026 - Over het archief en de cultus van het boek [NL, essay], 2026
Tekst , 3 p
ink on paper

 

 

 

___________________

Hans Theys



Bedrich Eisenhoet,
Over het archief en de cultus van het boek
Gesprek met Karal de Oude


Bedrich: Opnieuw sta ik voor u, meester, met naïeve vragen.

Karal: Lig aan, jongen. Neem wat druiven. En laat de vragen maar komen.

Bedrich: Eén woord blijft terugkomen in de boeken die ik lees. Het staat in verband met de geschiedwetenschap. En het heeft iets te maken met bibliotheken. Maar het is iets anders.

Karal: Het archief!

Bedrich: Juist! Wat is dat, een archief?

Karal: Boeiende vraag. Waar zal ik beginnen? Je spreekt over de geschiedenis als wetenschap. Uit de boeken van Nietzsche weten we dat hij als jongeman klaagde over de hypertrofie van de wetenschap.

Bedrich: Een gezwel?

Karal (lacht): Zoiets. Een zware last. Het ‘historisch bewustzijn’, zo noemde hij het. Een blok aan het been van al wie handelend wilde denken. Als er iets is dat de geschiedenis ons leert, dan wel dat je er niets uit kan leren, omdat de wereld voortdurend in beweging is.

Bedrich: Wie voorschriften distilleert uit het verleden, belet doelmatig handelen.

Karal: Tenzij het voorschrift tot openheid aanmaant, tot niet-weten.

Bedrich: Waar komt die obsessie met de geschiedenis dan vandaan?

Karal: Uit de boekhouding, natuurlijk. De eerste grote volkstellingen vonden plaats in China. De meeste keizers wisten precies hoeveel onderdanen ze hadden, hoeveel land die bezaten of bewerkten en hoeveel tarwe, rijst, hout, zijde of vaatwerk ze voortbrachten. Geen staat zonder boekhouding.

Bedrich: De geschiedenis als rechtvaardiging van de staat?

Karal: De geschiedwetenschap was een veredelde boekhouding, net zoals de literaire kritiek voortkwam uit de Bijbelexegese: niet toevallig twee machtsinstrumenten.

Bedrich: Een soort verderzetting van een gewoonte die haar oorsprong vergeten is.

Karal: Niet toevallig hebben de Chinezen ook de zelfhulpboeken uitgevonden (lacht). De staat overleeft door de onderdaan te beroven van zijn, haar of hun lichaam. Ze schrijft voor wanneer en hoe je dit mag gebruiken. In China was er geen kerk, maar een sterke traditie van confucianistische ambtenaren, die de ziel van de staat dienden. In Europa hield vooral de kerk zich bezig met de controle over je lichaam. En met de administratie, natuurlijk. Daarom houden we zoveel van Bach.

Bedrich: Wat bedoelt u?

Karal: Luister eens naar een concerto voor fluit en klavecimbel. Het doet er niet toe welk. Bij Bach wordt het onstuimige lichaam geest. Muziek. Een zintuiglijke bestaansvorm die ontsnapt aan de administratie.

Bedrich: Zoals de dubbelzinnigheid van sommige schilderijen?

Karal: Dat denk ik.

Bedrich: En het archief?

Karal: Dat gaat ons verstand te boven. In het begin van de 21ste eeuw was de verering voor de geschiedenis zo ontspoord, dat elke snipper papier bewaard werd. En later omgezet in computercodes, zodat er minder plek verloren ging.

Bedrich: Een soort van bewaarziekte?

Karal: Een ontspoord controlesysteem. Alles moest vastgelegd worden, bewaard, geverifieerd, getoetst, overwogen, besproken…

Bedrich: Ze telden geen graan meer, maar gegevens.

Karal: Dat is het. Er ontstond een soort godsdienst van het gegeven. Namen, getallen, registraties van non-gebeurtenissen. Het ging niet meer om het feit, of de kennis, maar om de controle van het feit, hoe onbenullig ook.

Bedrich: En dat is wat ze ‘data’ noemden?

Karal (lacht): Inderdaad, ze gebruikten graag Latijnse woorden, zoals in de kerk. Eerst had je ‘datum’: je geboorte-, huwelijks- en sterfdag. Daarna kreeg je het meervoud, ‘data’, voor duizenden onbenulligheden. En tenslotte kwam er ‘data’s’, een onbestaand meervoud van het meervoud, een exponentiële groei van de onbenulligheid. De miniemste handeling werd geregistreerd en geïnterpreteerd.

Bedrich: En in die vermeerdering ging het eigenlijke feit teloor?

Karal: Het concrete werd verwaarloosd. Waar het zich toch opdrong, werd het de kop ingedrukt. Zo gingen uiteindelijk ook de bibliotheken teloor.

Bedrich: Wat bedoelt u?

Karal: Ze werden ontmanteld. Ze waren te echt. Ze namen teveel plaats in.

Bedrich: Hoe konden ze dan lezen of studeren?

Karal: Niet.

Bedrich: Goed nieuws, dus. Ze hebben zich bevrijd van het boek? Ze gingen opnieuw op een open manier handelen?

Karal: Integendeel. Hun denken sloot zich volkomen. Er bleven alleen voorschriften en reglementen over. De meeste mensen hielden zich alleen nog met die regels bezig. Bijna niemand handelde nog, dacht nog. Er ontstond een exegese van de regelgeving. Een cultus van de ‘data’s’.

Bedrich: Maar zonder blik op de geschiedenis?

Karal: Zonder enig contact met de concrete wereld, in het heden of het verleden.

Bedrich: Blind?

Karal: Stekeblind.

Bedrich: Dat klinkt griezelig.

Karal: Ze schenen er geen last van te hebben.

Bedrich: Wonderlijk.

Karal: Uiteindelijk verwerkten ze alle boeken en archieven tot bouwmateriaal.

Bedrich: Bouwmateriaal?

Karal: Isolatie. Om zich nog beter af te kunnen sluiten van de buitenwereld.

Bedrich: Praktisch.

Karal: Ze maakten er ook beelden mee.

Bedrich: Sculpturen?

Karal: Totempalen, afgodsbeelden, grote koppen: de goden van de ‘data’s’. Sommige hebben het overleefd. Er moeten er veel geweest zijn. Grote, publieke beelden. Misschien wel een beeld in elk huis. En zakbeeldjes, die ze met zich meedroegen. Of amuletten, die ze aan halskettingen of armbanden hingen.

Bedrich: Een cultus van het boek?

Karal: Dat denken we. Een cultus van het boek, zonder boeken. Een algemene verdwazing, die zich voordeed als de ultieme verfijning. Heel grappig.

 

Montagne de Miel, zomer 2526